Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
heeft, haren grooten weg om de zon, juist eenmaal, af te
leggen, en welke, daar de maan zich, gedurende dienzelfden
tijd , (ruim) twaalf malen om de aarde rondbeweegt, natuur-
lijkerwijze weder verdeeld is in twaalf maneschijnen of maan-
den.
Aangezien echter de maand , gemiddeld , slechts de lengte
heeft van 29 dagen, 12 uren en 44 minuten, en dus 12 zulke
maanden slechts 354 dagen , 8 uren en 48 minuten uitmaken ,
is derhalve het maanjaar 10 dagen en 21 uren korter dan het
zonnejaar, hetwelk 363 dagen , 5 uren , 48 minuten en SI
seconden bevat, weshalve men, in de tijdrekening , de maan-
den iets langer genomen heeft, dan zij werkelijk zijn ; zoo-
dat thans de burgerlijke maanden niet meer met de maan-
maanden overeenkomen.
Doch ook het gewone burgerlijke jaar, hetwelk op 365 da-
gen gerekend wordt, komt niet juist met het eigenlijke zon-
nejaar overeen, maar is c. 5 uren, 48 minuten en 51 secon-
den korter, hetwelk in vier jaren, bijna eenen geheelen
dag bedraagt. Ten einde dit gebrek te herstellen , lascht men
telkens, om d^ vier jaren, bij de maand Februarij eenen dag
in, en vormt aldus het zoogenaamde schrikkeljaar (Juliaan-
sche tijdrekening). Op deze wijze worden echter telkens 11
minuten en 9 sekonden te veel ingeslascht, hetwelk in 400
jaren c. 3 dagen uitmaakt, om welke fout wederom te ver-
beteren , van de vier laatste jaren van vier achtereenvolgende
eeuwen, welke naar den regel schrikkeljaren zouden moeten
wezen, drie niet als schrikkeljaren worden gerekend (Gre-
goriaansche tijdrekening).