Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
staal, achtereenvolgend ; de afstand of ruimte tusschen twee
tijdj)unten, een tijdperk; en de geheele voorstelling dezer rij
of opvolging, wederom tijd in het algemeen.
Om de volgorde en den duur van de bijzondere verande-
ringen der dingen en der gebeurtenissen, naar 's menschen
behoefte, te bepalen, heeft men eenen zekeren maatstaf
moeten aannemen , om den tijd , als het ware , te meten , en ,
tot het vaststellen van denzelven, als grondslag gebezigd de
onveranderlijke en zich steeds gelijkblijvende, werkelijke of
schijnbare, bewegingen der hemelligchamen , welke met de
aarde in een meer onniiddelijk verband staan , in het bijzon-
der , van de zon en de maan ; waardoor de verdeeling des
tijds in jaren , maanden, dagen , enz. ontstaan is.
De schijnbare beweging der zon om de aarde , welke telkens
geregeld wederkeerde, of eigenlijk, de onwcnteling der aarde
om hare as, in een kort en geschikt tijdsbestek, ter voorzie-
ning in de dringendste behoefte door de natuur zelve, als het
ware, aan de hand gegeven, was wel het eerste, hetwelk
men bezigde tot het vaststellen van eenen zekeren maatstaf,
welken men in het algemeen dag of etmaal noemde.
Doch de noodzakelijkheid, om voor de dagelijksche bezig-
heden des levens, meer bepaald, bijzondere tijdpunten te
kunnen aanwijzen, noopte de menschen weldra, eenige klei-
nere en meer naauwkeurige tijdsonderscheidingen te maken,
en zoo heeft men het etmaal in 24 gelijke ruimten verdeeld,
welke uren genoemd worden, en welke men gewoonlijk van
middernacht tot den middag (morgenuren), en van den mid-
dag weder tot middernacht (avonduren), en dus in twee
tijdperken, ieder van 12, te zamen 24 uren , telt. Elk uur
heeft men vervolgens weder in 60 minuten, iedere minuut
in 60 seconden, en iedere seconde eindelijk in 60 tertien
verdeeld.
Oorspronkelijk telde men , gelijk reeds opgemerkt is , 12 uren voor
den dag en 12 uren voor den naclit, en zoo verkreeg men 24 uren
voor liet elmaal; naderhand is echter , door eene verandering der tijd-
rekening, deze overeenkomst b^ verschikking opgeheven, en zoo de,