Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
boog van den meridiaan dier plaats, of welke men zich over
dezelve heenloopende voorstelt; zij is dus noorder-of zuider-
breedte. Men berekent de breedte eener plaats, door op den
eersten meridiaan de graden te tellen, van den evenaar af,
noord- of zuidwaarts, tot aan den paralelkring toe, welke
over die plaats loopt, of althans ka:: getrokken worden.
Door geogr. lengte verstaat men den afstand eener plaats
ten oosten van den eersten meridiaan, gemeten door den
boog des evenaars, of liever, van den paralelkring dier plaats.
Men berekent dezelve, door op den evenaar de graden te tel-
len van den eersten meridiaan af, oostwaarts, tot aan den me-
ridiaan , welke over die plaats loopt, of, als over dezelve be-
schreven , kan aangenomen worden.
De plaatsen, onder den evenaar gelegen , hebben dus 0°, de polen
90° N. of Z. B.
Alle plaatsen, onder denzelfden paralelkring gelegen , hebben de-
zelfde breedte, en, onder denzelfden meridiaan , gelijke lengte.
In het algemeen kan men dien meridiaan als eersten aangenomen
rekenen, welke loopt over Ferro, eender Canarische eilanden. De
Engelschen gebruiken veelal dien , onder welken Greenwich ligt (17"
40' L.), de Franschen dien van Parijs (20° L.)«
§ 20.
Over de tijdrekening.
Alle dingen, welke door de zinnen kunnen waargenomen
worden, staan, in zoo verre zij verschijnen, bloeijen en we-
derom verdwijnen, in eene algemeene verhouding, üjd genaamd,
buiten welke wij dezelve noeh met eenige mogelijkheid
waarnemen, noch ook ons voorstellen kunnen. Met het woord
lijd verbinden wij het begrip der opvolging van toestanden
of veranderingen : wij stellen ons deze als eene zamenhan-
gende rij voor, gelijk aan eene lijn, welke door het voortbe-
wegen van een punt wordt daargesteld. leder bijzonder deel
in deze rij wordt een tijdpunt genoemd ; wat in hetzelfde tijd-
punt te zamen treft, noemen wij gelijktijdig ; wat in verschil-
lende tijdpunten gebeurt, doch in eene zekere betrekking