Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
namelijk dat van de baan der aarde onder eeoen hoek van
c. 8°. Wanneer nu de nieuwe maan in het vlak van de
baan der aarde komt, dan treedt zij, juist in eene regte
lijn, tusschen de zon en de aarde. De maan, door de
zon beschenen, geeft, in het vlak harer baan, eene c.
50,000 m. lange schaduw, en wel, daar zij kleiner is,
dan de zon, in den vorm van eenen kegjel. De punt der-
halve van dien kegel moet, in het voorgesteld geval, juist
op, of althans naar de aarde gerigt zijn, en omgekeerd,
in het opzien van de aarde naar de zon, het zien van deze
door de maan verhinderd, en dus de zon verduisterd worden.
Wanneer daarentegen de volle maan in het vlak van de
baan der aarde treedt, dan heeft er daardoor eene maansver-
duistering plaats. De aarde namelijk , door de zon besche-
nen, geeft eene c. 186,000 m. lange schaduw, in de rigting
der ecliptica. Vermits ook de aarde kleiner is, dan de zon,
heeft deze schaduw insgelijks de gedaante van eenen kegel,
doch dezelve is meer dan driemalen zoo lang, als de afstand
der maan van de aarde. Komt nu de maan in het vlak der
ecliptica, en dus juist in eene lijn met de aarde en de
zon , dan treedt zij tevens in de schaduw, welke de aarde
werpt, en wordt dus door deze, welke tusschen haar en de
zon in staat, verduisterd.
Wanneer het niet juist in den doorgang door het vlak der
ecliptica volle of nieuwe maan is , doch onmiddellijk voor of
na denzelven, dan heeft er wel geene geheele, maar toch
eene gedeeltelijke verduistering plaats.
§ 19.
Over de denkbeeldige lijnen en punten, welke men zich, ten
behoeve der aardrijkskunde , op den aardbol beschreven
voorstelt.
Ter bepaling van den stand en de beweging der hemellig-
ehamen zoo wel, als ter aanwijzing van de plaats en de af-
standen van verschillende punten op de aarde heeft men on-
derscheidene cirkels, lijnen en pnnten ijan den hemel en op
de aarde aangenomen, cn als werkelijk aanwezig op de aard-