Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
halve middellijnen der aarde, of bijna 52,000 geogr. mijlen.
Wat de grootte der maan betreft, zoo wordt hare middellijn
als 3^/3 maal kleiner, dan die der aarde, aangenomen ; zij
heeft dus eene li maal kleinere oppervlakte en eenen 50
maal geringeren ligchaarasinhoud, dan de aarde, bedragende
namelijk hare
middellijn................480 geogr. m.
omtrek................1,S07 • .
oppervlakte........... 723,686 vierk. m.
inhoud............ 54,561,578 eub. m.
Even als men de tijdruimte , welke de aarde bezigt, haren weg om
de zon af te leggen , tot maalslaf van den tijd in het algemeen heeft
aangenomen , zoo heeft men ook het (ijdsbestek, waarin de maan hare
baan om de aarde beschrijft, zoodat zij zich , in hare onderscheidene
gestalten , volledig aan ons heeft ver(oond , mede als meer bijzonderen
tijdmeter ingevoerd, en met den naam van maand beslempeld, en,
daar zulks ongeveer twaalf malen in het jaar geschiedt , het jaar ver-
deeld in twaalf maanden.
Zons- en Maansverduisteringen.
Men lette hier nog op twee verschijnselen, welke door den
bijzonderen stand der maan , ten aanzien van onzen aardbol,
en van de zon tevens, te weeg gebragt worden, en, hoewel
juist van geenen zeer gewigtigen invloed op den toestand der
aarde, toch door hare bevreemdende bijzonderheid grootelijks
de aandacht tot zich trekken , en eene nadere verklaring ver-
eisehen.
Ten tijde der nieuwe maan namelijk , zien wij soms, bij
helder weder, eene zwarte schijf voor de zon treden, welke
deze , dan meer, dan minder, of ook wel geheel en al bedekt,
terwijl wij daarentegen, op andere tijden, eene zwarte schijf
voor de maan zien treden, die deze ook, of geheel, of gedeel-
telijk , verbergt. Het eerste verschijnsel noemt men eene
zons- , het tweede eene maansverduistering (eclipses).
Wij hebben boven gezien, dat de baan der maan, om de
aarde, met de baan der aarde, om de zon, genoegzaam in
hetzelfde vlak valt. Het vlak van de baan der maan snijdt