Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
dat hare verschillcndo schijngestalten (phasen) ontstaan.
De maan namolijk is , even als onze aarde en de andere
planeten, op zich zelve een duister ligchaani , hetwelk zijn
licht slechts van de zon ontvangt, zoodat het zich aan ons met
licht vertoonen en, hetzelve terug kaatsende, aan ons weder-
om licht kan mededoclcn. Zij beschrijft, in c. 27 dagen en
8 uren, eene ellips om de aarde als brandpunt, waarbij zij
deze steeds dezelfde zijde toekeert , doordien zij zich tevens
zeer langzaam om hare eigene as beweegt, juist eenmaal in
denzelfden tijd, welken zij noodig heeft haren weg om do
aarde af te leggen. Deze baan der maan valt met die, welke
de aarde om de zon beschrijft, bijna in hetzelfde vlak. Op de-
zelve nu staat zij , als donkere maan, bijna tusschen de zon en
de aarde in, wordt dus verlicht aan de van ons afgekeerde zijde ,
en is duister aan die, welke naar ons toegekeerd is, zoodat
wij haar niet kunnen zien, te meer , daar zij dan tevens op
den middag het hoogste ]>uut van hare baan bereikt. Staat
daarentegen de aarde bijna tusschen de zon cn de maan in, dan
beschijnt de zon do gehcele naar de aarde toegekeerde zijde ,
en het is dus volle maan , die tevens juist om middernacht
bet hoogste van haren boog bereikt, wanneer de zon bij on-
ze antipoden op het hoogst staat. Bij het eerste kwartier,
wanneer de westzijde of regterhelft der maan verlicht is,
staat de zon 90° ten westen van dezelve , weswege zij ook
des avonds om zes uren het hoogste jiunt van hare baan be-
reikt; met anderewoorden: de maan staat alsdan, ten opzigte
van de zon, als het ware, naast onze aarde, in eenen reg-
ten hoek met deze en met de zon , en keert dus van hare
door de zon verlichte helft slechts weder de helft naar de
aarde toe, zo(tdat wij slechts een vierendeel van haar ver-
licht kunnen zien. Hetzelfde heeft plaats bij het laatste kwar-
tier , met dit onderscheid echter, dat dan de oostelijke helft
of linkerzijde der maan verlicht is, en de zon 90^ ten oos-
ten van haar staat, weswege de maan dan ook des morgens
om zes uren het hoogste punt van hare baan bereikt.
T)e maan is ons van alle hemelligehamen het meest nabij.
Haar middelbare afstand wordt gewoonlijk berekend op 60