Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
18
ïes maanden bereikt, zoodat het daar een halfjaar achtereen
dag en het andere daarentegen geheel nacht is.
^ - . § r
Over de maan, in haren stand en betrekking tot de aarde.
■ Na de zon verdient, van alle andere hemelligchamen, het
meest onze aandacht de maan , welke in vele opzigten eenen
gewigtigen invloed op de gesteldheid der aarde uitoefent, en
in het bijzonder dient, onze donkere winternachten , al-
thans gedeeltelijk, te verlichten.
: De maan schijnt zich steeds in ongeveer uren, van het
oosten naar het westen , om onze aarde rond te bewegen ,
waarbij zij zich, bij afwisseling, in onderscheidene gedaanten
aan ons voordoet. Is zij op eenen zekeren a\ond geheel ver-
licht verschenen, dan toeft zij, als volle maan, den gehee-
leji iiac'ht aan den hemel, om middernaclit het hoogste punt
van hai'c baan bereikende , en verdwijnt eerst weder met het
opgaan der zon. Daarna echter neemt zij langzamerhand af,
en na eene week is nog slechts hare linker of oostelijke helft
zigtbaar , wanneer zij ook , als laatste kwartier, eerst om mid-
dernacht opkomt , en des morgens om zes uren op het hoogst
staat. Na twee weken is de geheele schijf verduisterd , ter-
wijl de maan met en naast de zon op- en ondergaat; het is
donkere of nieuwe maan. Nu neemt zij echter allengskens we-
derom toe, en na de derde week staat zij, aan hare regter
of westelijke helft verlicht, reeds bij den ondergang der zon
als eerste kwartier, omtrent het hoogste van haren boog,
doch gaat ook reeds om middernacht weder onder. Na vier
weken eindelijk prijkt zij, als volle maan, wederom in haren
geheelen luister.
Deze dagelijksche omloop der maan om onze aarde, in c.
uren en SO min., is echter, even als die der zon, slechts
schijnbaar, en wordt insgelijks alleenlijk door de rondwenteling
der aarde zelve om hare as te weeg gebragt; terwijl de
maan inderdaad zich eerst in c. 27 dagen , van het westen
naar het oosten, om de aarde, en voorts met deze, in c.
36ö dagen, om de zon rond beweegt, en hierdoor is het,