Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
geheele maanden door noch op- noch ondergaat, of waarop
zij althans hare stralen slechts schuins laat vallen. — Met
betrekking nu tot den verschillenden graad van warmte en
koude, welke de onderscheidene streken der aarde op die
wijze doorgaans genieten , heeft men dus de oppervlakte van
den aardbol, naar de drie hoofdgraden der luchtsgestcldheid,
toegepast op de streken, waar dezelve heerschen, verdeeld in
vijf zonen (gordels) of luchtstreken : twee koude, eene war-
me en twee gematigde.
De heete zone breidt zich noord- en zuidwaarts van
den evenaar uit, en omgeeft derhalve de aarde als een gor-
del , -47° of 705 geogr. mijlen breed , en door de beide keer-
kringen ingesloten.
Van de keerkringen af, tot aan de poolkringcn toe, strek-
ken zich , op ieder halfrond der aarde , de beide gematigde
zonen uit, eene noordelijke en eene zuidelijke, elk in eene
breedte van 49" of 6-iS geogr. mijlen.
Binnen de poolkringen besloten liggen de koude zonen,
eene noordelijke en eene zuidelijke, elk, van die cirkels af
tot aan de polen, hunne middelpunten, toe, rondom 23Vi°
of 3.52Vï geogr. ni. breed.
De geheele uitgestrektheid der heete zone bedraagt dus
3,701,183 vierk. m. of '"/looo > der gematigde te za-
men -4,810,92-i vierk. m. of ""hooo > en die der beide kou-
de 760,848 vierk ni. of '^/looo van de oppervlakte der gan-
sehe aarde.
De lengte van dag en nacht is in de heete zone, op wel-
ke de stralen der zon doorgaans bijna loodregt nedervallen,
naauwelijks 3 uren verscheiden , en onder den evenaar zelfs
steeds genoegzaam gelijk. In de gematigde zonen , op welke de
zonnestralen nooit geheel regtstandig nederschieten, maar,
naar mate van den grootcren of geringeren afstand van den
evenaar, meer of min schuins, wisselt de lengte van dag en
nacht af, van IS'/j, tot 24 uren. In de koude zonen ein-
delijk , op welke de zonnestralen, zoo deze dezelve niet ge-
heel voorbijschieten , althans slechts zeer schuins nedervallen ,
neemt de lengte van dag en nacht, van 24 uren af, bij voort-
durende opklimming toe, tot zij onder de jiolen den tijd van