Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
noordpoolstreek geheel in het duister ligt, terwijl de zonne-
stralen loodregt nedervallcn op den keerkring van den Steenbok.
De jaargetijden, alsmede de lengte van dag en nacht, zijn dus op
de tegen elkander over gelegene oorden der aarde ook steeds tegenover-
gesteld. Heeft men op de eene zijde zomer, dan heeft men op de andere
winter, heeft men op deze voorjaar, dan heeft men op gene najaar, en
omgekeerd.
Voor ons, in het bijzonder, neemt met den 21 Alaart, wanneer de
aarde in slaat en dag en nacht even lang zijn , de lente eenen aanvang
(voorjaarsevening). De dagen nemen van dat tijdpunl af bestendig loe,
totdat de aarde met den 21 Junij komt in , wanneer dezelve op het
langst zijn, en wij dus het middelpunt van den zomer hebben. De zon
slaat dan, als het ware, een oogenbÜk stil (zonneslilsland) , en begint
haren lerugtogt naar den evenaar (zomerzonnekeer). Vervolgens nemen
de dagen allengskens weder af , terwijl de aarde voortgaal lot in Y^,waar
met den 23 September dag en nacht andermaal even lang zij n (herfstevening),
de zomer voorbij is , en de herfst eenen aanvang neemt. AVanneer eindelijk
met den 21 December dc aarde in S slaat, zijn de dagen het korist en de
nachten het langst, en de winter is daar; terwijl echter , van dal tijdstip
af, de zon ook terstond wederom naar den evenaar begint terug te keeren
(winterzonnekeer), en de lengte der dagen langzamerhand toe te nemen,
totdat de aarde, met den 21 Maart, weder op haar vorig standpunt in
^ is teruggekeerd.
Naarmate de aarde met de eene zijde meer naar de zon neigt, wordt,
gelijk wij gezien hebben, de andere zijde daarentegen meer aan de
zonnestralen onttrokken. Hierdoor heeft de eene poolstreek bestendig
dag en zomer, terwijl de andere intusschen voortdurend nacht en winter
heeff. De grenzen van deze verschijnselen worden , ter wederzijde, aan-
geduid door twee cirkels, evenwijdig met den evenaar, op eenen afstand
van 23Vi° rondom dc polen, als middelpunten, beschreven.
Verdeeling der Aarde in Zonen of Luchtstreken,
Die streken evenwel van de oppervlakte der aarde, welke
nader bij den evenaar liggen, alwaar de zon, gedurende het
geheele jaar, steeds op- en ondergaat, en hare stralen bijna
regtstandig nederschiet, moeten hierdoor natuurlijk doorgaans
eene grootere mate van warmte genieten, dan die, welke
nader aan de polen gelegen zijn , en voor welke de zon.