Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
li
IIcl lijilsheslek, in hetwelk de aarde haren weg om de zon aflegt, heeft
men lol algemeenen maatstaf voor de berekening des tijds aangenomen ,
en met den naam van jaar beslempeld.
Oj) hot vlak , binnen die ellips besloten, staat de aardspil
of as niet regtstandig , zoodat het vlak van den evenaar met
dat der ellips te zaraen valt, maar sehuins : de aardspil snijdt
het vlak der e'.lips onder eenen hoek van of liever,
zij neigt zieh naar dat vlak onder eenen hoek van öö'/i".
welke neiging de as der aarde, terwijl deze zich om de zon
rond beweegt, steeds behoudt, zoodat zij met de polen voort-
durend in dezelfde rigting blijft.
En het is deze steeds voortdurende gelijke neiging der aard-
spil, welke c!e grond is van de afwisseling der jaargetijden,
en van het af- en toenemen der lengte van dag en nacht,
terwijl, bij eenen regthoekigen stand derzelve, de naar de
zon gekeerde zijde des aardbols, ter wederzijde van den
evenaar, altijd gelijkelijk verlicht, en dus dag en nacht,
warmte of koude voor iedere bijzondere plaats steeds van den-
zelfden duur en van denzelfden graad zoude wezen. — Ten
gevolge van die neiging keert namelijk de aarde, in hare
jaarlijksche beweging om de zcm , de onderscheidene deelen
harer oppervlakte, bij opvolging, zoodanig naar de zon, dat
deze zich, naar het schijnt, van den 31 Maart af, tot op
eenen afstand van 23'/j° ten noorden van den evenaar verwijdert,
dan weder naar denzelven terug keert, door den Evenaar heen-
gaat , zich nu tilt op 23Vj" ten zuiden van denzelven verwij-
dert , en eindelijk . juist na verloop van een jaar, in haar
vorig standpunt, van waar zij uitgegaan was, in den evenaar
terug keert.
Eens in het jaar, omstreeks den 21 Junij, schiet derhalve
de zon hare stralen loodregt neder op den keerkring van den
Kreeft, en eens, den 21 December, op dien van den Steen-^
bok; tweemalen staat zij juist in den Evenaar, den 21 Maart
en den 23 September, wanneer, dag en nacht juist even lang
zijn , of de zoogenaamde nachteveningen plaats hebben, wes-
wege de Evenaar oo- veelal de Evennachtslijn genoemd wordt.
En zoo ontstaan da:i voor dat gedeelte der aarde, ten tijde