Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
De lijdruimle, in welke de aarde zich ééns om hare as rondwenlelt,
dat is, alle hare zijden naar de zon toegekeerd , en dus overal de onder-
scheidene afwisselingen van lichl en duisternis gehad heeft, is ook aU
eene algemeene tijdmaat aangenomen. Dezelve verdeelt zich in twee ge-
lijke deelen, één van den middag tot middernacht, en één weder van
middernacht tot den middag, welke te zamen een etmaal uitmaken.
Ieder dezer tijdruimten vyordt in 12 gelijke deelen verdeeld, welke men
uren noemt, zoodat derhalve iedere omwenteling der aarde telkens plaats
heeft in 2 X 12 = 24 uren , wordende verder elk uur verdeeld in 60 mi-
nuten, en iedere minuut weder in 60 seconden, enz.
§ 17.
Beweging der Aarde om de Zon en gevolgen van
die be toe ging.
Hoezeer liet oolc bij de beschouwing van den verschillenden
stand der zon, ten opzigte der sterreheelden van den Dieren-
riem , moge schijnen , dat de zon , van het westen naar het
oosten voortgaande, eenen cirkelvormigen weg om de aarde
beschrijft, is het echter bij grondige en naauwkeurige waar-
nemingen ten volle gebleken , dat niet de zon zich om de
aarde, maar integendeel de aarde, van het westen naar het
oosten voortgaande, zich om de zon rond beweegt.
De baan, \velkc de aarde om de zon aflegt, is geen cirkel,
maar eene ellips, in welker brandpunt de zon staat. De-
zelve is 129 millioenen mijlen lang. De kortste afstand der
aarde van de zon (in het perihelium) bedraagt 19,800,000 m.
en valt in onzen winter, de verste (in Ae? ffpAe/ium) 20,851,000
m. en valt in onzen zomer. De middelbare verwijdering is
dus c. 20,000,000 m. , op welken afstand van de zon de aarde
in iedere minuut 2-50 m. in hare baan aflegt.
De aarde volbrengt dezen haren loop om de zon , van het
oogenblik af, dat zij van eene zekere plaats aan den sterren-
hemel uitgaat, totdat zij juist in denzelfden stand terug
keert, in den tijd van 865 dagen , 5 uren , 48 minuten en
51 seconden.
Eenen soortgelijken vorm, als die der aarde, hebben, ook de banen
der overige planeten, der kometen en der manen, bij welke iaatste een
planeet in het brandpunt der ellipse staa!.