Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
§ 16.
Beweging der Aarde om hare as en gevolgen van
die beweging.
Het is niet de zon , die zieli , gelijk het ons, vooral bij het
op- en ondergaan derzelve, voorkomt, met den geheelenster-
renhemel voortdurend om onze aarde rond bevpeegt, maar do
aarde zelve beweegt zich inderdaad om hare eigene as, dat
is, om die denkbeeldige lijn, welke wij ons voorstellen, dat
midden door de aarde heenloopt, en om welke deze xieh,
even als om eene spil , ronddraait. — Daar wij namelijk de
beweging der aarde niet bemerken , verbeelden wij ons slechts,
dat de zon en de sterren van het oosten naar het westen om
ons rondloopen, terwijl iuderdaad wij zelve, op den zich
van het westen naar het oosten rondwentelenden aardbol,
tusschen de vaststaande sterren worden voort bewogen.
De beweging der aarde om hare as blijkt niet slechts uit de over-
eenkomst derzelve met de andere planeten, aan welke die beweging
duidelijk wordt waargenomen , maar ook uit de neiging der vallende
ligchamen, om van de loodregle lijn naar het oosten toe af te wijken,
alsmede uit het afnemen der algemeene zwaartekracht naar den evenaar
henen , en het toenemen derzelve naar de zijden der polen.
En het is ten gevolge van deze beweging der aarde om
hare as , dat de afwisseling van licht en duisternis, of van
dag en nacht plaats grijpt, vermits door dezelve de verschil-
lende deelen van de oppervlakte der aarde achtereenvolgend
naar de zon worden toegekeerd , en zoo beurtelings haar licht
en warmte van deze ontvangen , terwijl de tegenovergestelde
zijde zoo lang van haar afgewend, en dus in het duister is.
Daar de omwenteling der aarde steeds geregeld geschiedt,
heeft ook iedere plaats op dezelve geregeld, en meestal bij
langzamen overgang, afwisseling van licht en duisternis, of
van dag en nacht , en , tusschen deze invallend, morgen en
avond. Wanneer de zon opgaat en de dag aanvangt, is het
morgen ; is de dag half afgeloopen , middag ; bij het ondergaan
der zon of bij het einde van den dag en het begin van den
nacht, avond ; is de nacht half afgeloopen, middernacht.
Dit noemt men de vier tijden van den dag.