Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
1!
IrcUkiiig tot dien geziglkring , welke, even als ieder andere
cirkel, in 360 graden, 60 minuten, enz. verdeeld wordt,
heeft men in denzelven vier tegen elkander overstaande punten
onderscheiden, die derhalve 90° van elkander verwijderd zijn.
Het punt, in welks rigting de zon op het hoo{,»a of op het
midden van den dag staat, heeft men dat van den middag of
het zuiden genoemd (meridies); het daar tegenover liggende,
dat van den middernacht of het noorden (septentriol; hetgeen ,
waar juist, of althans ongeveer, de zon opgaat, dat van den
morgen of het oosten (oriens); en dat eindelijk, waaromtrent
de zon ondergaat, dat van het westen of den avond (occidens.)
jNaar deze punten, gewoonlijk de hoofdstreken genoemd,
heeft men tevens de in derzelver rigting liggende oorden der
aarde in zuidelijke, noordelijke, oostelijke en westelijke we-
reldstreken onderscheiden , en mede ook den hemel gelij-
kerwijze verdeeld, waarvan de toepassing in de aardrijkskunde
van het uitgebreidste nut is.
ïusschen de vier hoofdstreken heeft men vervolgens nog
weder vier iniddelstreken onderscheiden, en deze naar de
bijzondere hoofdstreken, tusschen welke zij gelegen zijn,
benoemd, ecne Z. O. namelijk, eene Z. W., eene N. W. ,
en eene O., en tusschen de zoo verkregene acht weder
acht, en verder, zelfs tot 321 en 6 i , in het bijzonder ten
behoeve der zeevaart , om de rigting der winden naauwkeurig
te kimnen bepalen , ten gevolge waarvan dezelve ook veelal
windstreken genoemd worden , even als het wijsblad van het
kompas windroos heet.
Men Iioude liieibij wel in liet oog, dat de opgegevene bepaling der
wereldstreken haren oorsprong verschuldigd is aan de volken, die ten
noorden van den keerkring van den kreeft wonen , voor welke dezelve
eigenlijk slechts alleen in haar geheel geldig is, terwijl de bepaling van
het zuiden en van het noorden, naar den stand der zon, voor hen,
die Uisschen de keerkringen wonen, slechts ten deele en bij afwisseling,
en voor jjen , die ten zuiden van den keerkring van den steenbok wo-
nen , in hel geheel geen steek houdt, maar juist in eene tegenoverge-
slelde orde zoude moeien worden vastgesleld.