Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Mf'ii lioudc iii het oog, dal hier steeds de grootste middellijn enz.
genomen is. Wij hebben boven gezien , dat, wegens de afplatting der
aarde aan de polen , de middellijn, tusschen deze getrokken , of de as
des aardbols, korter is, dan de andere. Dezelve is c. 1713; de groot-
ste, welke de kortste reglhoekig snijdt, c. 1719 geo^r, mijlen groot.
Daar men in het dagelijksche leven onder mijlen ner(jens geographi-
sche mijlen verstaal , maar in onderscheidene landen andere bijzondere
soorten van lengtematen gewoon is met den naam van mijlen te bestem-
pelen , welke van de geogr. mijlen in grootte zeer velschillen ; zoo moge
dit korte overzigt van de voornaamste derzelve hier plaals vinden. Op
eenen graad gaan :
75 kleine Italiaansche mijlen. «
69Vi Engelsche mijlen.
60 groote hal. en kleine Zeemijlen.
25 Fransche mijlen.
20 groote Zeemijlen en Nederlandscl e mijlen of uren gaans.
15 geogr. en Duitsche mijlen.
De geheele omtrek der aarde is dus = (360 X 20) = 7200 uren gaans,
en , daar onze Nederlandsche el = Viooooooo van een vierde deel van den
omtrek der aarde is, tevens = 40,000,000 Nederl. ellen.
§ 15.
Horizon of Gezigteinder ^ Wereld-, Uemel-, Hoofd-,
Middel- en Windstreken.
Doordien de bernel als een rond gewelf aon alle zijden op
de aarde schijnt te rusten, wordt rondom ons, zoo verre het
oog reikt, een kring gevormd, die het zigtbare deel van den
hemel en der aarde scheidt, en welken wij den Horizon of
Gezigteinder noemen.
Boven dezen gezigteinder ziet men telkens de zon geregeld
te voorschijn komen, om licht en warmte over het binnen
denzelven besloten vlak te verspreiden, en na tot eene meer-
dere of mindere hoogte geklommen te zijn, naar de tegen-
overgestelde zijde weder nederdalen en onder den horizon
verdwijnen : men ziet de zon bestendig op- en ondergaan,
gelijk men het noemt, waarbij eene gedurige afwisseling van
licht en duisternis , van dag en nacht plaats heeft.
Naar den verschillenden stand der zon boven of in be-