Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
290
tot op Willem [V, die in 18S7 overleden is , tevens Iconingen
Vim Himover waren. Thans regeert de koningin Victoria,
op wier oom Ernst Aiigast de kroon van Ilanover is overgegaan.
Oe magt des konings is zeer beperkt door hot parlement,
sedert 1707 met Schotland en sedert 1801 met Ierland gemeen-
schappelijk , hetwelk zich verdeelt in het hoogerhuis, of het
huis der lords, dat is, de hoofden der adelijke familieu en der
hooge geestelijkheid , en het huis der gemeenten, of de afge-
vaardigden van de onderscheidene steden cn landschappen.
Groot-Brittanje bevat c. 25 mill. inwoners. De oudste in-
woners van Brittanje cn Ierland waren van den Celtisehen
stam. Hierbij kwamen in de vijfde eeuw de Anglen en de
Saksers , en in'de elfde eeuw en vervolgens de Noormannen.
Van deze gczanienlijke volkeren zijn de tegenwoordige Brit-
ten de nakomelingen. Afstammelingen der oude Britten zijn
de Cimi'en in Wales, met eene eigene taal, het Galiseh ;
hun verwant zijn de Hoog-Schotten en de Ieren, met eenen
anderen tongval, het Ersisch ; op de N. eilanden .stanmien
de inwoners van de Noormannen af, en spreken Norsisch ,
doch op de Normnndijsche eilanden Fransch. — De heer-
schende kerk is de Episcopale of Anglicnansche ; alle andere
godsdienstoefeningen zijn echter ook vrij ; het meest beperkt
zijn de regten der KathoHjken. — De Engelsman heeft in het
algemeen eene edele en fraaijc gestalte, cn eenen hoogen
en scherpzinnigen geest ; hij is ernstig en achterh(»udetid,
arbeidzaam en volhardend, vrijgevig en grootmoedig, vrij-
heid- en vaderlandlievend, ondernemend en moedig, be-
schaafd en godsdienstig , doek aarden vele zijner dengdcn dik-
wijls uit in eigenbelang en eerzucht, hoogmoed en trotsch-
heid. — De Schotten bleven langer een ruAv, doch sterk en zeer
dapper volk , hetwelk door eenvoudigheid van zeden en andere
deugden uitmuntte. — De leren zijn van natuur goedaardig
en gastvrij , doch, door menigvuldige verdrukking, van eenen
meer beperkten geest en van mindere arbeidzaamheid. —
Wetenschappen en kunsten worden nergens meer begunstigd
en bevorderd. — Dc hoofdbezigheden zijn de landbouw, de
veefokkerij en de bergbouw, en vooral de fabrieken en de
handel, welk alles in zijne soort ten hoogste uitmunt.