Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
270
staat in de handen van meerderen is , daar zijn het of alleen
de voornaamsten , h. v. de adel, de hooge geestelijkheid , de
rijksfen enz., en dan heet de republiek eene aristocratie,
of het volk neemt zelf onmiddelijk deel aan de regering,
en dan heet het gcmeenebest eene dcinocratie. Die staten,
welker opjierhoofd den titel van keizer of koning voert, hee-
ten koning- of keizerrijken, en beide met een woord rijken.
Er zijn echter ook monarchale staten, welke slechts hertog-
dommen , vorstendommen , enz. zijn , en die geene rijken ,
noch welker regenten monarchen plegen genoemd te worden.
Wannoer een regent bij de uitoefening zijner magt zich niet
aan de wetten bindt ^ maar alle leven en eigendom aan de
willekeirr van den alleenheerscher is prijs gegeven , dan heet
hij een despoot, en wanneer hij zijne magt tot onderdrukkin-
gen , gewelddadigheden en gruweldaden misbruikt, dan noemt
men hem een tiran of dwingeland. Daar echter op eene zoo-
danige wijze geen volk geregeerd wil zijn, zoo kan er geene
regtmatige dwingelandij bestaan. Het volk zal aan zulk eene
onrcgtmatige regering een einde maken , zoodra het verstand
genoeg heeft, het onregt teerkennen, en magt genoeg, het-"
zelve te keer te gaan. -
Ofschoon het menschelijk geslacht in den beginne, toen
het nog klein in getal en terzelfder plaats verecnigd was,
slechts' ééne taal liad cn slechts ccnen tongval sprak , nïoes-
ten toch door de vermeerdering der menschen en dc daarop
volgende scheiding der gezinnen en geslachten , weldra afwij-
kingen in de tongvavlen , die elkander na eenigen tijd naau-
welijks meer geleken , en vervolgens onderling genoegzaam
geheel vreemde talen ontstaan. Immers, voor de nieuwe
voorwerpen en begrippen , aan het eene volk bijzonder eigen ,
werden , bij de uitbreiding der gezinnen en geslachten in
stammen en natiën. nieuwe namen en spreekwijzen inge-
voerd , welke aan het andere volk natuurlijkerwijze geheel
vreemd hieven ; door eene geringe verscheidpnheid in de
gesteltenis der spraakwerktuigen, of in derzelver gebruik,
ten gevolge van de bijzondere luchtgesteldheid der onder-
scheidene oorden ontstaan , werden verschillende klanken en