Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
268
zelfde oord te zaïneii wonen. De handwerkers vestigden deswege
hunne woningen hij elkander, op eene plaats te zamen met
de kooplieden , die den handel van al dat geen, hetwelk in
het land gebruikt wordt, alsmede het aanbrengen van die
waren , welke men in het land zelf niet heeft en toch be-
geert , bezorgen, en zoo ontstonden steden en voorts al
dafgeen, hetwelk de menschen voor hunne onderscheidene
bezigheden en behoeften noodig hebben, en hetwelk kan
dienen, hunne levensdagen te veraangenamen, hun genot te
veredelen. Hier hadden nu de verschillende krachten en
talenten een vrij spel, en liet onderscheid tusschen rijk en
arm , tusschen voornaam en gering, tusschen heer en knecht
moest zich al meer en meer ontwikkelen en gewigtiger wor-
den en zoo ontstond tevens allengskens het thans zoo aan-
merkelijk onderscheid der verschillende standen.'— Niet alle
volkeren zijn echter reeds tot dezen laatsten trap van be-
schaving gekomen ; vele leven nog in den eersten toestand der
natuur, terwijl van de andere deze op eenen meer, gene op
eenen min gevorderden trap hunner ontwikkeling staan, en
zoo onderscheidt men ook thans nog de volkeren, naar den
graad hunner beschaving, in drie hoofklassen, namelijk in
wilde of jagers-cn visschersvolkeren , in herdersvolken of no-
maden , en in beschaafde volkeren , bestaande uit landbouwers,
handwerkers, kooplieden, kunstenaars, geleerden, enz.
Wanneer nu alle menschen volkomen goed waren, zouden
zij zonder verdere inrigtingen gerust naast elkander kunnen
wonen, en gelukkig te zamen kunnen leven. Daar echter
de mensch integendeel van natuur geneigd is tot alle kwaad,
en vooral steeds velen, uit eigenbaat, de regten van ande-
ren weir.ig ontzien , ja zelfs, zoo mogelijk , trachten te schen-
den , heeft men zich reeds vroeg genoodzaakt gezien , zich
in gezelschappen te vereenigen, ten einde met gemeenschap-
pelijke krachten de regtsbeledigingen der kwaadwilligen te
keer te gaan, en zich aldus onderling elkanders regten te
beveiligen en derzelver vrije uitoefening te waarborgen , en
voorts gezamenlijk alle die inrigtingen daar te stellen , wel-
ke den mensch noodzakelijk zijn om zijne hooge bestemming