Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
266
den. Zij kennen geen ander eigendom , dan liunne jagt- en
visschersgereedsohappen, welke zij zich zelve vervaardigen.
Zij zijn onder elkander alle gelijk, en leven zonder wetten
en bestuur. De sterkste en behendigste is gewoonlijk slechts
bij voorkomende gelegenheden aanvoerder in krijg en gevaar.
Nog geheel ruw en onbeschaafd , hebben zij zeer hevige harts-
togten , welke gewoonlijk de beweegredenen hunner daden en
handelwijze zijn , terwijl overigens de gewoonte hunner va-
deren alleen ten rigtsnoer derzelve verstrekken. — Weldra
ecliter bemerkende, dat zij met slechts geringe zorg en veel
mindere moeite zich hun onderhoud kunnen verzekeren,
wanneer zij door eene behoorlijke verpleging van het vee de
vermeerdering van hetzelve bevorderen, en zich zoo steeds
eenen genoegzamen voorraad van melk en vleesch verschaf-
Ion , leggen zij zich toe op de veefokkerij. Zulke herders-
volken zijn reeds eenigzins beschaafder en verstandelijker;
daar de verpleging van het vee meer opmerkzaamheid en
kennis vereisent, dan de jagt en de visscherij. Hun leven is,
bij cene dagelij ksche geregelde bezigheid , toch veel rustiger
en houdt hunnen geest aanhoudend in eenige werkzaamheid.
Hot begrip van eigendom ontwikkelt zich meer, cn stelt
zich vast. In dezen toestand lecren de menschen ook reeds
eenige noodzakelijke handwerken kennen , en drijven zij eene
soort van ruilhandel. Vermits zij echter , om steeds goede weide
te hebben, genoodzaakt zijn, aanhoudend van de eene plaats
naar de andere te trekken , leiden zij gewoonlijk een zwer-
vend leven. Hunne woningen zijn nog slechts tenten en hut-
ten , welke zij veelal des morgens afbreken , om ze des avonds
op eene andere plaats weder op te bouwen, en hunne overige
gereedschappen kunnen alleen voor deze woningen passende zijn.
Zij hebben nog slechts weinig behoeften , en leven zoo, naar
hunne wijze, in eenen zekeren overvloed, terwijl degastvrijheid
bij hen de grootste deugd is. Voor-en tegenspoed, vlijt en
traagheid kunnen hen evenwel rijker of armer maken : van daar
kennen zij de onderscheiding tusschcn voornaam en gering,
tusschen heeren en knechten, cn aldus eene soort van maat-
schappelijken toestand.—Doch, naar mate zij in dezelve ge-