Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
-'43
zon niets, dan den verterenden gloed : men verveelt zich bij
hare heerlijkheid, en gevoelt zich door haren invloed geplaagd
en ter neder gedrukt.
Eindelijk vertoonen zich de eerste wolken , de voorboden
van storm, onweer en regen; zij verdonkeren de zon, en men
gevoelt zich verrukt, men verblijdt zich ten hoogste, dat het
eeuwige eenerlei eindelijk ophoudt: ja die eerste wolken ma-
ken eenen e.en heugeiijken indruk, als de eerste groenende
heuvels op hen, die eenen langdurigen togt door ecne groote
woestijn gemaakt hebben, cn het eerste land op hen, die
eenen grooten, gevaarlijken zeetogt hebben afgelegd.
AMERIKA.
Het klimaat is bij de groote uitgestrektheid van Amerika
zeer verscheiden, en gaat van de verstijvende koude omtrent
de Y)olen, door alle graden heen, over tot dc verschroeijende
hitte onder de loodregte stralen der zon omtrent den evenaar;
doch over het geheel is dit werelddeel aanmerkelijk koeler,
dan andere aardstreken onder eene gelijke breedte. — De Z.
helft loopt in eenen spitsen hoek uit, en deze punt grenst
bijna aan de poolstreken, weshalve dezelve reeds vrij koud
is , doch tevens , uithoofde van de nabijheid der beide oceanen ,
naar verhouding vochtig en frisch. De N. helft van Zuid-
Amerika wordt wel allengskens breeder, doch tevens ver-
heft zij zich , bijna overal, tot eene aanzienlijke hoogte bo-
ven de oppervlakte der zee, en het geweldige gebergte,
hetwelk zich 'angs de W. kust uitbreidt, stort eencn onme-
telijken overvloed van water over het land uit, hetwelk,
door de ondoo'-dringbare wouden , bijna even zoo frisch, als
het in de gebergten uitspringt, tot do kusten nadert, en
everal koelte en frischheid verspreidt; zelfs omtrent den
evenaar, in Peru en Quito, kent men de verzengende hitte
van Afrika niet, en Mexico is overal zoo hoog gelegen, dat
er in het algemeen eene zeer gematigde temperatuur hccrscht.
De niet zeer groote breedte van dit werelddeel, bij deszelfs
uitgestrektheid naar de zijden der polen ; de oceanen , die het
genoegzaam rondom omgeven, en welker bijna onafgebrokene
16*