Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
242
de Goede Hoop stijgt de warrate tot eene aanmerkelijke hoogte;
evenwel is de verandering der luchtgesteldheid aldaar zeer
snel, en op eenen heeten dag volgt dikwijls een koudenacht.
Nog veel grooter zoude de hitte in de landen omtrent den
evenaar zijn, wanneer zij met dc gelijkheid van nacht en dag
niet tevens gematigder werd.
Genoegzaam omtrent 30° N. B. ligt ter wederzijden van
den evenaar do gi-enslijn, binnen welke de passaatwinden
heerschen, en wel die O. winden, welke in het N. halfrond
min of meer N. O. in het Z. daarentegen min of meer Z. O.
zijn. Hierin hebben echter, ten gevolge der bijzondere ge-
steldheid van eenige streken , verschillende afwijkingen plaats.
De overgang van het eene jaargetijde tot het andere gaat ge-
woonlijk met hevige stormen en onweders vergezeld , vooral
in sommige oorden ; zoo woeden b. v. in de landen tusschen
kaap Verga en kaap Monte, van Junij tot October, dikwijls
vreesselijke stormen, Tornadoos genoemd , terwijl de naburige
kuststreken geheel vrij van dezelve zijn. Zeer bezwarend zijn
in de woestijnen dc winden met zanddeelen bezwangerd ,
welke de lucht zoozeer met stof en fijne zanddeeltjes vervullen,
dat men niet zien, en naauwelijks adem halen kan. Bekend
is de invloed van den slikhccten Samum of Semoum, door
de Egytcnaren Chamsin genoemd : de gansche dampkring be-
gint te gloeijen ; stof en zand worden hoog in de lucht op-
gevoerd, die een rood, blaauw, of geelachtig voorkomen
krijgt, naar de gesteldheid van den grond , waar het zand wordt
weggevoerd; hij droogt alles uit, en veroorzaakt bij men-
schen en dieren een groote onrust.
Acht maanden lang heeft men in een groot deel van Afrika
bijna altijd schoon weder, doch eenen Europeaan wordt dit
schielijk vervelend, lederen morgen treedt de zon met luister
ten voorschijn , stijgt omhoog en vervult alles met oenen ver-
blindenden glans, welkfn het oog naauwelijks verdragon kan ;
gedurende den ganschen dag lenigt niets haren gloed, en des
avonds zinkt zij weder prachtvol in de baren. Dit schijnt
eerst zeer heerlijk en aangenaam, dan vermindert gewoonte
de bewondering, cn weldra bemerkt men van de stralende