Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
239
700 hoojjen graad , en er valt zoo weinig regen , dat, zon-
der kunstige bewatering, alle planten verdorren zouden.
In de steppen is de groote warmte hier dikwijls zoo aanhou-
dend, dat den woldragenden dieren het bloedige schuim voor
den mond treedt, en aan de uitgedroogde oogen des menschen
de lucht als een flikkerend spinnewccfsel voorkomt. Eene
vrcesselijke pla.ng zijn, in de vlakten van dit klimaat, de nu
cn dan woedende wervelwinden, die somwijlen, in degroot-
ste hevigheid , de daken der huizen nederrukkcn , en geheele
zandbergen ophoopen ; doch erger nog woeden dan geheele
scharen van sprinkhanen , hevige aardbevingen, eindelijk
de pest, die aldaar wel niet te huis behoort, doch dik-
wijls uit de 'meer Z. streken inbreekt. Dit klimaat bevat
het grootste dee! van het Asiatisch hoogland , het overige van
Mongolië en Mandschurie, Korea, Noord-China, Klein-Bucha-
rije, de landen rondom de Kaspische zee cn het Aral-meer,
de landen van den Caucasus, Zuid-Astrakan, geheel Klein-
Azie, Armenie, een deel van Iran en Afghanistan en een
deel van Japan.
A°. De heete luchtstreek, tusschen IT Z. B.en 36° N.B.
Ook in dit klimaat is nog een deel van het hoogland gelegen:
ten Z. W. van Tibet verheft zich het hoogste gebergte der
aarde, en geeft aan het ondcrhoorigc- land cn de naastbij ge-
legene terrassen een waar alpenkliniaat. De gezamenlijke
kustlanden echter dezer luchtstreek zijn meestal vlakten, op
welke eene buitengewone hitte heerscht, die evenwel nog
sterker zijn zoude, wanneer zij niet door zeer langdurige
regens cn de halfjarige moussons afgekoeld werd. In deze
gansche luchtstreek heeft men eigenlijk slechts twee jaarge-
tijden: dat namelijk van April tot November, wanneerde
zou hare stralen regtstandig op die landen nederschict, is
het vochtige jaargetijde of de winter ; evenwel ontspruiten
in hetzelve alle planten , dc wasdom gaat zijnen gang, de heer-
lijkste bloesems vervullen de lucht met welriekende geuren,
cn de dieren hereiken de hoogste ontwikkeling hunner krach-
ten. Doch wanneer de zon tot den keerkring van den Steen-
bok nederdaalt, dan vermag hare steeds aanmerkelijke, doch