Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
238
.iii
aardschuddingen. — ïot dit klimaat behoort geheel Z. Si-
berie , het gansche koningrijk Kasan, een groot deel van het
koningrijk Astrakan , de N. helft der Kirgisiche Steppe, het
N. gedeeïfe van Mongolië en Mandschurie, het eiland Tscho-
ka, de Alonlen en de Kurilen.
3®. De gematigde luchtstre^-k, tusschen SS" en 30" N.B.
Het bergland van Azie, hetwelk in deze luchtstreek valt,
heeft eeu waar alpenklimaat, eu is slechts bij eene grootere
hoogte aanmerkelijk ruwer en strenger, dan in het alpland
van Europa; de koude op de Kobi wordt gezegd zoo he-
vig te zijn, dat slechts de zonen van Noord-Azie ze vermogen
door te staan. Zelfs midden in den zomer heerschen op
deze hoogten somtijds vorst en winterkoude, en gedurende
een groot deel des jaars waaijen stormachtige noordevvinden,
welke don winter zeer ter bekorting van den zomer ver-
lengen. Er heeft op de hoogten eene bestendigen verander-
lijkheid van het weder pïoats , en ook de dalen van het hoog-
land , ofschoon boven dezelve des zomers eene brandende
zon staat, zijn toch nog niet geschikt tot het voortbrengen
der fijnere planten , die eerst in hel meest Z. gedeelte de-
zer luchtstreek bcginsien te tieren. Evenw^el schijnt zij het
vaderland van de nieeste onzer huisdieren te zijn. De viak-
ten daarentegen , welke in deze luchtstreek ralien , zelfs de
valleijen van het W. , cn de ternvïson van het O. gebergtestelsel,
zijn met een' zoo bloeijenden wasdofu getooid , dat de meeste
gewassen der Z. zone, welke geene buitengewone hitte ver-
eischen , in hetzelve voorspoedig gedijen, zelf de boomwol
en de olijven ci- welig tieren , de zijde eene stapelwaar uit-
maakt, en de meloenen en andere zuidvruchten, ook op den
kouden grond , gelukkig geteeld worden. De lente neemt
hier vroeg eenen aanvang, en is zeer aangenaam, de zomer
langdurig, doch, althans in de W. streken, meestal droog,
cn regen ontbreekt somtijds geheel; de herfst komt laat ea is
helder, de winter kort en zoo zacht, dat men beneden de ■40*'
N. B. sneeuw en ijs slechts op de gebergten ziet, en die sneeuw,
welke bij nacht nog in vlakten valt, reeds bij de eerste zon-
nestralen weder verdwijnt. De hitte bereikt sonitijds eenen