Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
237
Deze is veel inüdcr, dan de vorige, doch het weder nog
leer ruw, hetwelk steeds scherper wordt, hoe verder men
uoordwaarts voortgaat. Boven den 57° N. B. verschijnt de
lente zeer laat, de zomer is kort , en slechts zelden ontdooit
het ijs der moerassen, de herfst zeer nat en onvriendelijk,
en de winter onderscheidt zich door hare gestrengUcid en
langen duur. De rivieren liggen gewoonlijk van het einde
van October, of het begin van November, tot het einde van
Mei digt. Meestal ligt er in Junij nog sneeuw, heerscht ge-
durende den herfst een bestendige nevel , en in den winter
een schitterend noorderlicht. Bij Ochotsk is de lucht ge-
durende den zomer met eenen stikkenden, bijtenden , en
zoo digten damp vervuld, dat men met het bloote oog in
de zon zien kan. De oogst gelukt oj) den linker oever van
de Jenisei nog tot 62°, doch op den regter oever slechts
tot 60° N. B. Het huisdier bereikt er zelden de grootte en
schoonheid van die der meer Z. oorden; scheurbuik en
zwaarmoedigheid zijn, tot 57°, dikwijls voorkomende ziek-
ten. De mensch verkrijgt echter zijne volkomene natuurlijke
vorming , en bereikt meestal eenen hoogen ouderdom. — Tus-
schen 50' en 57° N. B. heerscht een eenigzins milder kli-
maat , doch is de winter nog lang en koud , en dc lucht
scherp. De Baraba en de overige steppen zijn gedurende den
zomer met digte nevels vervuld. Bij Barnaul (e. 33'/j° N.
B.) neemt de winter in het midden van October, zonder
voorafgeganen herfst, plotseling eenen aanvang, terwijl ge-
durende den ganschen zomer de nachtvorsten niet ophou-
den. Bij Omsk (c. S5° N. B.) bevriest de Irtysch reeds in het
laatst van October, en ontdooit eerst weder in het midden
van April. Bij Irkutsk (e. 52*/»° N. B.) daarentegen ver-
stijft de Augara nooit voor den 15 December, en opent zich
reeds weder tegen den 21 Maart. De lucht is niet volkomen
zoo gezond als in de meer N. streken: menigvuldig zijn de
scheurbuik, afwisselende koortsen en de vallende ziekte bij
den mensch; luchtkraukhedcn (Jarsua) bij het vee; en toch
is de sterfte slechts gering. Romdom het Baikal-meer en in
Daiirie bemerkt men jaarlijks eenige, doch niet zeer sterke