Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
232
De warmere luchtstreek, ten Z. van den -45° N. B. In
hare landen begint in Januarij of Februarij het voor-
jaar , is het zomer van April of Mei tot October of Novem-
ber, wanneer er gevvoonlijk veel regen valt, terwijl de win-
ter geene blijvende sneeuw en ook geene aanhoudende en
gevoelige koude aanbrengt, zoodat in het grootste gedeelte
derzelve ook de zoogenoemde zuidvruchten cn andere, die
eene bijzondere warmte vereischen , van nature voorkomen ,
of althans met een goed gevolg kunnen aangekweekt worden.
Zij bevat Portugal, Spanje, Z. Frankrijk, bijna geheel Ita-
lië, Dalmatie, Europeesch Turkije en de eilanden der Middel-
landsche zee.
Van de geheele oppervlakte van Europa komen ongeveer
18,000 op de poolstreek, 6/f,000 op de koude, 4-4,000 op
de gematigde, en 24,000 v. m. op de warmere luchtstreek.
In het algemeen zijn de lucht en het weder in Europa zeer
gezond.
De meer bijzondere luchtgesteldheid, der enkele landen
en oorden, hangt, gelijk wij vroeger reeds in het algemeen
gezien hebben , van hunne bijzondere ligging, van de meer-
dere of mindere hoogte boven de oppervlakte en de nabijheid
der zee, en van andere omstandigheden af. — Zoo is in die
streken, waar de-hoogste bergen gevonden worden, met
name, in Zwitserland en de verdere alplandcn, het klimaat
even zoo verscheiden , als de verheffing van den bodem. In
de valleijen heerscht in het algemeen eene milde, ten deele
reeds zuidelijke lucht, welke door de zonnestralen , die van
de rotswanden teruggekaatst worden , dikwijls in de druk-
kendste hitte overgaat. De hooggebergten zijn , boven de
7500 tot 8500 V. hooge snecuwlinie, met eeuwige sneeuw
en ijs bedekt, welke zich, in de ijsmeren en gletschers, nog
aanmerkelijk dieper in de dalen verliezen.
Ten Z. van de Alpen , in Italië, kan men in het N. ge-
deelte , in weinige uren , nog alle luchtstreken van Europa
doorwandelen. In de Lomhardijsche vlakte heerscht een re-
gelmatig en aangenaam klimaat, in hetwelk echter de ci-
troenboom niet op den kou.den grond wil tieren ; de zcekus-