Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
207
is de Abiad, Astapus of de Witte Nijl, die in het Maangebergte
ontspringt (tusschen 7° —S^N. B.). De O. takken ontspringen in
het Abyssinisch gebergte , van welke de Azrek , of de Blaauwe
Nijl de aanzienlijkste is. Nadat deze zich met den Abiad ver-
eenigd heeft (c. 16° N. B. en 50° L.), stroomt de Nijl eerst in
eene N. 0. rigting, voorts, na den Astaboras of Tacazze (18"
N. B.) opgenomen te hebben ; in eene N. W, , dan in eene
Z. W. , en vervolgens, met vele bogten en afwijkingen, in
ecne N. rigting voort. Na vroeger vele watervallen gevormd
te hebben, doorklieft hij Egypte, in hetwelk hij bij Syene
Jils do alles bevruchtende stroom binnentreedt, verdeelt zich
bij Batu-cl-Bakara , vijf uren ten N.van Cairo, intweehoofd-
armen , die het hoogst vruchtbare en beroemde delta vormen ,
en van welke de eene (N. O.) bij Damiette , do andere ^N. W.)
bij Rosette zijne wateren uitstort.
De Senegal ontspringt in het hoogland van Mandingo (c.
12° N. B. en 1° L.), niet ver van de bronnen der Gambia
en des Nigers. Zijnen voornaam.sten toevloed krijgt hij uit de
Bafing, de Faleme en de Kokora. Vcreenigd doorbreken
deze , in de watervallen van Govina, het gebergte, waarop de
stroom zich, in eene N. W. rigting , nog over verscheiden
katarakten naar de laagte nederstort, door welke hij ver-
volgeius, daar de kustvlakte bijna waterpas is, vele eilanden
vormende zacht voortkronkelt. Eindelijk deelt hij zich in twee
armen, van welke de breedste zich eerst regelregt naar de
zee spoedt, doch bij Serinpale zich plotseling Z. waarts
wendt, en vervolgens ter zijden in den Atlantischen Oceaan
ontlast.
De Gambia valt van het hoogland van Mandingo, waar ook
hare bronnen zijn en waar zij verscheiden beken opneemt,
door de katarakten van Barraconda en Fattatenda naar de
kustvlakte van Senegambie neder, alwaar zij, bij Pisania,
■48 m. van zee gelegen , meer dan een uur breed , cn tevens
zeer diep is. Beneden het fort St. James is hare monding
meer dan twee, en bij de uitwatering zelve , in den Atlantischen
Oceaan , bijna zes m. breed.
De Niger oï Joliba. Deze vroeger vooral hoogst raadselachti-