Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
188
104° L.) , en na eerst eene Z. W. rigting genomen te heb-
ben , vervolgens ten N. van de Yarkand W. waarts voort-
loopt , tot hij tegen don W. rand des hooglands stuit, met
welken hij op het vereenigingspunt van den Belur-Tagh en
het Zimhal-gelergte zamenloopt (e. N. B. en 93° L.).
2°. Aan de Z. zijde
De Mus- Tagh of het Karo-Keriimgebergte, hetwelk zich tus-
schen de bronnen van dc Yarkand en de Amu van den Belur-
Tagh afscheidt (e. 90° L. SS'/a"!-), cn , als N. grensscheiding
van Klein Tibet, in eene Z. O. rigting uitstrekt. Het is eigenlijk
dezelfde bergketen , die zich vervolgens , onder den naar.i van
Het Kentaisse-yebernte , verder O. N. 0. uitbreidt, tot tegen
den Hoangho en den O. rand van Midden-Aiie, en welke
eene groote menigte takken Z. waarts uitzendt, die zich op
onderscheidene plaatsen met den Z. rand vereenigen, en het
bergland van Groot-Tibet vormen.
c. verdere , buiteromoete^eue gebergtew,
1°. Ten N. W. van het Midden-Asiatisch Hoogland.
liet Alginski-gebergte, hetwelk zich, op den N. W. bock van
het hoogland van Midden-Azie, van het vereenigingspunt van
het Songarische gebergte {W. deel van den N. rand) cn het Zim-
bal-gebergte (N.deel van denW. rand) afscheidt (c. 90°L. en 48°
N. B.), en in eene N. \V. rigting uitbreidt tot tegen het Üral-
gebergte , met name tegen dat deel, hetwelk onder den naam
van den Ulu-Tau , of het Ulu-gebergte pleegt voor te komen
(c. S2° N. B. en 78° L.).
De Vral, een gebergte van eene zeer groote uitgestrektheid,
hetwelk de geheele breedte van het Russisch rijk, van de
Caspische zee en het Aralmeer af, tot aan de Karische zee
toe, doorloopt. Het heeft weinig hooge kruinen. Des-
zelfs bijzondere deelen komen onder vele verschillende na-
men voor :
Bet Pojasowoj-Podinksko-gebergte oi de Noordelijke Vral,
tusschen de Kurische zee en de Tawda (c. 61°—69°
N. B. en 76°—82° L.).