Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
187
Met Jjayu-geher(jte (c. lOo" L. en id" N. B.) , met den
Kleinen Altai verbindt.
liet Malan- of Malgan-gebergte, eene W. uitbreiding van
den Grooten Altai, een hoog, doch niet zeer uitgestrekt ge-
bergte , hetwelk ten N. W. van den Grooten Altai langs de
Dsabchan voortloopt.
liet Khanyai'gebergte, eene O. uitbreiding van den Groo-
ten Altai, welke zich , ten W. van het Zagan-meer (c, 49°
N. B. en 113° L.), van denzelven afscheidt, en zich, in
eene Z. O. rigting, tot tegen de woestijn Schaino uitstrekt
(c. 461/2° N. B. en 120° L.), alwaar dezelfde bergketen,
onder den naam van het
Chingan-geberyte, eene JV. 0. rigting neemt, en , langs
de N. zijde der genoemde woestijn en ten Z. van deOrchon,
naar den N. rand van het Midden-Asiatisch hoogland terug-
keert, met welken het zich, tusschen den Gentei-berg en
de hoofdbron van de Onon , in het Kinhan-gebergte veree-
nigt (c. 127° L. en 49° N. B.).
De Altai-Alin-Topa, weder eene uitbreiding van den
Grooten Altai, welke zich van deszelfs meest Z. punt af-
scheidt (c. 47Vï N- B. en 114° L.), en eerst in eene Z. Z.
W., doch weldra in eene W. N. W. rigting , langs den
linker oever van den Boven-Irtisch, tot tegen hot Zais-
san-meer uitbreidt (e. 47° N. B. en 10S° L.), ten Z. 0. van
hetwelk deze keten eene Z. Z. W. rigting neemt, welke zij
ook verder behoudt, tot zij zich tegen de Iii verliest (c. 44°
N. B. en 100° L,).
De Bogdo-Oola , welke zich, bijna op het midden van het
Midden-Asiatische hoogland , als het centrum van alle Asia-
tische gebergten verheft, neemt eenen aanvang bij de meest
Z. punt van den Altai-Alin-Topa (c. 46° N. B. en 114° L.)
en breidt zich van daar, met eene zeer scherpe bogt, welke
tegen het N. N. W. open ligt, Z. W, waarts uit, tot het
zich weder met de meest Z. W. punt van den Altai-Alin-
Topa vereenigt (c. 44° N. B. en 100° L.).
De Mussart, welke zich tusschen het Boratola- en het
Lop-meer van den Bogdo-Oola afscheidt (c. 43V3" N. B. en