Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
186
van het Hiinelaija-gebergte, ten W. van den Indus,
hetwelk zich van daar verder in eene W. rigting
uitbreidt (c. 87°—'J^Vi" L, en 3S'/j—36«/,° N. B.).
Het is een hoog en steil gebergte, welks kruinen ge-
durende het grootste deel des jaars niet sneeuw bedekt
zijn.
IV. Westelijke Rand.
Langs de W. zijde eindelijk van het Midden-Asiatisch hoog-
land , breidt zich insgelijks eene zaïnenhangende reeks van
gebergten uit, welke ten N. van den Hindo-Kusch eenen
aanvang neemt, en zich aan dat punt van den N. rand weder
aansluit, van waar wij zijn uitgegaan :
De Bolor- of Belur-Tagh, de Imaus der Ouden , een zeer
hoog gebergte, hetwelk zich, N. waarts, van den
Hindo-Kusch afscheidt (c. 88° L. en 33Vj° N. B.) , en
zich, tusschen de bronnen van de Amu-Deria ten W.,
en de Syr en de Yarkand ten O. , in eene N. O. N.
rigting, tot tegen de Tschui (c. 42° N. B. cn93°L.),
ten N. W. van het Tuskul-meer, uitbreidt.
Ilet Zimhal-gebergte, eene tamelijk hooge bergketen,
welke zich ten N. W. van het Tuskul-raeer verheft,
en langs dc W. zijde van het Balkasch-mcer in eene N.
rigting uitbreidt, tot zij zich, als een vlotgebcrgtc van
geringe hoogte, met de W. punt van het Songarisch
gebergte vereenigt (e. 42°—30° N. B. en 90°—93°L.).
B. BUZONDÏRE VERnEFFIKGE!» OP HET nOOGIANU VAR MIDDEN-AZIE.
1". Aan de N. zijde.
Het Groote Altai-gehergte , hetwelk zich , tusschen de bron-
nen van de Jenisei en de Selenga , van den N. rand van Mid-
den-Azie, met name van het Sajanisch gebergte afscheidt (c.
31Vi° N. B. en 118° L.), heeft eerst eene Z. Z. O. rigting,
tot tegen de bron van de Irtisch (c. 48° N. B. en 114"L.),
waar het eene W. rigting neemt, en breidt zich voorts langs
den regter oever van die rivier uit, tot het zich, ten Z.
W. van het Ikearal-meer, onder den naam van