Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
Uet Kleine AUai-gehergte (c, 100°—110° L. en 49°—52° N.
B ) , een riiw gebergte, hetwelk echter in zijnen hoofd-
kam nog weinig bekend is ; vele van deszelfs kruinen
bereiken de hoogte der Alpengebergten, of zijn ten min-
ste met langdurige sneeuw bedekt. De allerhoogste kop
van dit gebergte verheft zich c. 6300 v. boven de op-
pervlakte der zee. Hetzelve is ten deele kaal , ten deele
met ondoordringbare bossehon bekranst. Eenige bergen
vertoonen zich als rotsbrokken cn getuigen van verwoes-
tingen , zoo als ze slechts de geweldigste natuurkrach-
ten te weeg kunnen brengen , echter zonder dnidelijke
kenteekenen van vulkanischen oorsprong. De valleijen
zijn eng. Noordwaarts breidt ticli deze bergschakel in
twee minder hooge gebergten uit, welke zich langzamer-
hand in de Siberische vlakte verliezen. Dezelve zijn :
Het Kohjwansche Ertsgebergte, tusschen de Irtisch en de
Ob (c. 100°—107° L. en 30°—33° N. B.), in hetwelk
Ruslands rijkste goud- en zilvermijnen gevonden wor-
den. Hetzelve ontleent zijnen naam van het Kolywan-
mcer, hetwelk in dit gebergte gelegen is , verheft zich
in zijne hoogste kruin , de Sinaja Sopka , slechts 2814 v.
boven de oppervlakte der zee, en is meestal met eene
korst van aarde overdekt, in welke digte bossclicn
wortelen , terwijl echter langs den geheelen rug de
graniet door dezelve heenbreekt.
Het Kusnezkische Ertsgebergte, tusschen de Ob en de
Jenisei (c. 104°—110° L. en 32°-37° N.B..), aan de
W. zijde slechts 180 tot 300 v. hoog, ten deele met
bosch bedekt, ten deele kaal, terwijl het echter aan
de 0. zijde verscheiden hooge kruinen heeft, en soms
in eene meer wilde bergstreek overgaat, met steile
rotswanden en vele holen, schaars met bosch voor-
zien , doch rijk aan koper- en ijzererts.
Het Sajanisch gebergte, van de Jenisei tot aan de
Selenga (c. 110°—I23Vj° L. en 49°—34°N. B.), hetwelk
ten deele uit graniet en porphierlagen bestaat, en ten
deele, meer omlaag, uit aanzienlijke kalk-, mergel-.