Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
De Elbe [Albis) ontleent haren oorsprong uit het Reuzen-
gebergte, baant zich eenen weg door het Ertsgebergte, en
stroomt vervolgens in eene N. W. rigting voort, tot zij zich
(e. N. B. en 27° L.), in de Noordzee ontlast. Hare
voornaamste bijstroomen zijn , op den linker oever , de Moldau
cn de Saaie , en , op den regter oever , de Havel, met welke
zich de Spree vereenigt.
V. De Oostzee enz.
De Oder (^Viadrus) heeft hare bronnen in de Sudeten, wordt
bij Oderberg (e. 58° N. B. en 36" L.) bevaarbaar, en stroomt
vervolgens min of meer in eene N. W. rigting voort, tot zij
bij Stettin (c. 32V2" N. B. cn 827»° L.) bet zoogenaamde
Stettincr Haff vormt, en zich eindelijk door drie mondingen,
de Peene, de Swine en de Dimenow , in de Oostzee ontlast.
De voornaamste bijstroomen, welke de Oder opneemt, zijn de
Bober, de Neisse en de Warthe.
Be Weichsel (Vistula) ontspringt uit de Karpathen , wendt
zich met eenen grooten, tegen het W openen boog, naar het
N. , neemt vervolgens , bij Bromberg (c. 53° N. B en 86° L.),
eene N. N. 0. rigting, cn verdeelt zich eindelijk in drie ar-
men, door welke hij zich voorts ontlast, met name, in de
Nogath, den Ouden en den Nieuwen Weichsel. Deszelfs grootste
bijstroom is de Bog.
De Memel of ISiemen (Chronus) heeft hare hoofdbron ten
Z. van Minsk (e. 53'/,° N. B. en 45° L.), stroomt met twee
groote bogten naar hetN. W., en verdeelt zich beneden Tilsit
(c. 55° N. B. en 39° L.) in twee armen , de Russ en de Gilge,
door welke zij hare wateren in het Kurisch Haff uitstort.
De Duna ontspringt uit het Wolchonski-gebergte en stroomt,
met eenen grooten , naar het N. openen boog, in eene W.
rigting voort, tot zij zich in den zeeboezem van Riga ontlast.
Zij is reeds nabij hare bron bevaarbaar, doch steeds vol stroom-
wadden en zandbanken.
Be Newa is eigenlijk slechts de uitwatering van het Ladoga-
meer, in hetwelk zich ontlasten: aan de W. zijde, deWoxen
uit het Saimameer, aan de Z. zijde, de Wolchow uit het
Ilmennieer, en aan de Z. O. zijde, de Swirr, uit het Onegameer.