Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
169
B. HET If. O, VIAKLAHD.
Dit deel ran Europa, welks uitgestrektheid bijna 100.000
vierk. ni. bedraagt, vormt eenen geweldigen driehoek, wiens
basis, in het 0., op het Caueasus-gebergte, en, in het W.,
op het Noord-Uuitsche bergland rust, terwijl zijne spits zieh,
JV. O. waarts, uitbreidt tot aan de wateren der Karische zee.
Deze wijduitgestrekte vlakte omgeeft ten N. O. de bergke-
tenen der Karpathen ender Sudeten, het Keuzen-, het Lau-
sitzer-, het Erts- en het Fichtel-gebergte, het Thüringer-cn
het Frankenwald , den Harts , het Wezer-gebergte, en ein-
delijk de Mindensche bergen, terwijl verder hare Z.
grenzen gevormd worden, in het 0., door de Zwarte zee en
den Caucasus, en in het W. door de onderscheidene armen
van den Rijn. Voorts wordt dezelve ten W. begrensd door
de Noordzee cn het Scandinavisch gebergte, ten N. door de
Noordelijke IJszee, cn ten O. door het Ural-gebergte, de
Obtschey-Syrt, de Wolga-bergen en de Kaspische zee. De
bodem dezer vlakte bestaat uit aangespoelde <;ronden, in welke
de kcizelaarde de bovenhand heeft, bedekt met puin van oudere
bergstoffen, terwijl zij r(jkelijk voorzien is van groote bevaar-
bare stroomen , alsmede van zeer aanzienlijke meren. In het
midden omtrent (c. 37'/,° N. B. en SI° L.) verheft zich deze
vlakte, in het Waldai-gebcrgte, tot eene hoogte van bijna
1000 V., welke zich Z. W. waarts, onder den naam van het
Alaunisch gebergte of het Wolchonski-woud, nog eenigzins
uitbreidt, zonder zich echter hooger te verheffen, zoodat,
wanneer de zee 1000 v. steeg, deze geheele vlakte bedekt,
en het bergachtig gedeelte van Scandinavië, even als Enge-
land , een eiland zoude worden.
III.
RIVIEREN.
A. ne N. w. HELLinc.
1°. Gebied van den Atlantischen Oceaan.
I, De Spaansche Zee.
De Guadalquivir [Baetis) ontspringt uit het Iberisch ge-