Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
164
De Maleyo , 5980 v. hoog.
De ülalevos, 5470 v. hoog.
Het Laconisch gebergte, een vervolg van het vorige,
hetwelk zich Z. waarts door 0. Laconie uitbreidt,
tot het eindigt in de kapen:
St. Angelo {Malea). '
St. Elias [Tiymphaeum Promt).
De ZuideUjhe Bergrand. Deszelfs bijzondere deelen zijn:
De Zuidtcand van Arcadie,
De Tayjetus , 7234 v. hoog , die zich uit den Z. wand
van Arcadie afscheidt, en Z. waarts uitbreidt tot in
Kaap Matapan (Taenarium Prom.).
De Westelijke Bergrand bestaat uit:
Het Messenisehe gebergte, in hetwelk voorkomen :
De St. Eliasherg (c. 37° N. B. en 39'/j° L.).
Het Ringgebergte van Navarino {Aegoleus m.).
Het Eliseh gebergte, in het welk voorkomen :
De Alrana (e. 37Vi° B. en 39'/s° L.).
De Elaius (c. 37'/s° N. B. en 39"/2'' L.).
Het Scandinavische gebergte, hetwelk, eene volslagene uit-
zondering makende, geheel afwijkt van het Europeesche ge-
bergtestelsel , vertoont zich als eene volstrekt op zich zelve
staande bergmassa, welké zich van kaap Lindenaes (e. S8° N.
B. en 2S° L.), in eene N. N. 0. rigting, langs den N. Atlan-
tisehen oceaan cn dc N. IJszee uitstrekt, tot in do Noordkaap
(e. 71 Ve" N. B. en -43° L.). Hetzelve is dus meer dan 200
m. lang, terwijl het Z. gedeelte, van de W. kust tot aan
de Glommen, omtrent 80 m., dat tusschen 62" en 63° N. B.
omtrent 120 m., doch het vervolg, verder N. waarss, onge-
veer slechts 60 m. breed is, binnen den poolkring echter,
eene meer O. rigting nemende, weder breeder wordt. Het
laat zich als eene geweldige, opgerezene rots beschouwen,
welke , volgens de waarnemingen van eenigen , nog voortgaat
zich te verheffen, en welke de waterscheiding vormt tusschen
de genoemde zeeën, naar welke het zeer afvalt, en de Oost-
zee , naar welke de helling zacht glooijende is. De W. hel-
ling, welke met hare diepe kloven eene menigte smalle bogten
vormt, is tevens door eene ontelbare menigte rotsachtige