Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
161
wa<irts voortloopt, tot hij lich, ten N. W. van de
stad Varna, tegen de kust verliest, en de Z. zich
daarentegen, langs den reg ter-oever, Z. O, waarts
uitbreidt, tot hij aan de Zwarte zee eindigt in
kaap Galata.
Het Bujak-Balkan-gehergte, de middelste tak, welke,
als het onmiddelijk vervolg van den Grooten Bal-
kan , O. waarts voortloopt, ten Z. van de Kamtschi
en ten N. van de Katschi, tot hij aan de Zwarte
zee eindigt in kaap Eminé (Eminé Dag), terwijl
hij nog weder een' kleinen tak Z. O. waarts uit-
zendt , tusschen de Katschi en de Duss-Kasri.
Jlet Strandschea-gebergte, hetwelk zich van den Klei-
nen Ralkan afscheidt (c. 42'/*° N. B. cn44V»°L-).
loopt in eene Z. O. rigting , tusschen de Maritza
(Hebrus) en de Zwarte zee, tot aan de straat van
Constantinopel.
Het Tekiri-gebergte, hetwelk zich ook als eene voort-
zetting of een zijtak van het Strandschea-gebergte
beschouwen laat, breidt zich, van dit gebergte
af, in eene Z. VT. rigting langs de zee van Mar-
mora en de Dardanellen uit tot aan de Acgaeische
zee.
Het Grieksche otHellenische gebergte, ook veelal in het alge-
meen de Pindus genoemd , loopt, van de bron der Vardar
(c. 42° N. B. en 39° L.), in een Z. Z. 0. rigting voort, en
breidt zich, als een hoog, woest, sterk met bosch bewassen
kalksteengebergte, in ééne hoofdketen en verscheiden zijtak-
ken, door geheel het Z. 0. schiereiland van Europa uit, ter-
wijl het deels op de kusten in kapen eindigt, deels zich in
de smalle , vruchtbare kuststreken verliest. Het vormt tevens
de waterscheiding tusschen de Ionische en de Aegaeische zee.
Deszelfs bijzondere deelen zijn :
De Tschar-Tagh, de Scardus der ouden (c. 39° L. en 42°
N. B.), welke de hoogste verhevenheid van den Z. O.
hoek van Europa vormt, en tevens het middelpunt van
de gebergten dezer landstreek is, die zich uit deiizolveu ,
11