Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
157
sterke bogt vormende, W. waarts voortgaat, tot beide
zich, in den Pietrnberg, weder vereenigen , en vervol-
gens Z. W. waarts tot tegen den Donau voortloopen.
Zij wijken in hoogte niet voor het Tatra-gebergte, het-
welk zij in uitgebreidheid verre overtreffen. Naar het
O. en Z. valt dit deel der Karpathen vrij steil in de
groote N. O. vlakte en het Donaudal af, terwijl W.
waarts vele zijtakken geheel Zevenbergen vervullen,
welke, wegens hunnen rijkdom aan edele en onedele
metalen, veelal onder den naam van het Zevenbergsche
Ertsgebergte voorkomen. De voornaamste punten van
dit gebergte zijn :
De Pelrosch (c. 48° N. B. en 42" L.), 6800 v. hoog.
De Buzesd (c. 47° N. B. en 43° L.), 8160 v. hoog.
De Budös (c. 46Vt° N. B. en 48'/j° L.), 9000 v. hoog.
De Surul (c. 45^6° N. B. en 42° L.), 7122 v. hoog.
De Retyczat (c. WW N. B. en41°L.),- 7738 v. hoog.
8°. Ten Z. O. van de Alpen.
Het Oost-Adriatische gebergte, hetwelk veelal voorkomt
onder den naam van Dinarische Alpen, en tot het Alpen-
stelsel zelve gebragt wordt, neemt eenen aanvang bij het Z.
O. uiteinde der Julische Alpen, ten N. van Zeng in Dalmatie
(c. 46° N. B. en 82Vi° L.) en ten 0. van Fiume aan de golf
van Quarnero (c. 43V3° N. B. en 32'/i° L.), en breidt zich
van daar , vele t.akken ter zijden uitzendende, tusschen de
Adriatische zee en de Sau, onder vele verschillende benamin-
gen , en, hoewel met menigvuldige bogten, echter steeds in
eene Z. O. rigting uit, tot dat punt in den Tschar-Tagh (c.
42° N. B. en 39° L.), waar het gebergte van Z. O. Europa
zich in drie bijzondere ketenen scheidt , welke zich in ver-
schillende rigtingen uitbreiden, en, onder bijzondere? namen,
als op zich zelf staande gebergten voorkomen. Deze woeste
bergketen, welker hoogste kruinen ten deele boven de sneeuw-
grenzen uitsteken, draagt hooge granietruggen, rondom welke
kalkmassa's gelegerd zijn. Zij verheft zich meerendeels tot eene
hoogte van 6000 v. Bijzondere deelen van dit gebergte zijn: