Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
154

¥
it
bergen uitsteken, en den grootcren Neder-Harts, die , minder
hoog, doch niet minder rijk aan natuursciioonheden, vooral
van eenen liefelijken aard, veelal langs de hellingen en in
de valleijen bebouwd, en met weelderig loofhout bedekt is.
Tegen het Z. W., naar de Leine, neemt dit gebe.-gte lang-
zamerhand in hoogte af, waartegen de Pi. en N. W. helling
zeer steil is. De voornaamste bestanddeelen van hetzelve zijn
graniet, zandsteen, gips , enz. , terwijl het tevens velerhande
metalen, met name lood, ijzer, kojier en zilver, in overvloed
oplevert. De hoogste kop van dit gebergte is
De Broeken, in de Opper-Harts (c. 51 Vs" B. en
287»" L.), welke zich tot tegen de 3600 v. boven
de oppervlakte der zee verheft.
6°. Ten N. O. der Alpen.
Het Moravische gebergte , hetwelk zich, even als het Böh-
merwald, tegenover Linz, in den Tafelberg (c. ^B'/j^ N. B.
en 32'/»° L.) uit het Donaudal verheft, breidt zich in eene
N. 0. rigting uit, tot tegen de Sudeten, met welke het zich
in den Sneeuwberg vereenigt. Het vormt de waterscheiding
tusschen de Elbe en den Donau, terwijl deszelfs breede rug,
welke zelfs in het hoogste, N. O. gedeelte zich nergens boven
de 3000 V. verheft, zacht glooijend zich aan weerszijden in
de vlakten van Bohemen en Moravie verliest.
Het Reuzengebergte, eenen aanvang nemende aan de Neisse,
ten O. van de Lausitz , breidt zich, in eene Z. O. rigting,
uit tot aan de March. Het is eene bergmassa, welke zich bijna
overal tot eene hoogte van 4000 v. verheft, en de water-
scheiding vormt tusschen de Elbe en deOder, met eene steile
helling naar het Z. W., en eene meer glooijende naar het
N. 0. Deszelfs bestanddeelen zijn graniet, glimmer, enz.
De voornaamste punten zijn :
De Tafelfichte (e. ST N. B. en33°L.), 3400 v. hoog.
De Sneeuw- of Reuzenkop (c. 50Vj° N- B. en 83»/«°
L.), 4955 V. hoog.
De Sudeten, een vervolg van het Beuzengebergte, loopen
verder, in eene Z. O. rigting, ten Z. W. van de Oder voort,