Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
133

gerwald , langs den regteroever van de Wezer , in eene N. W,
rigting voort, tot in de nabijheid van Minden (e. 52Vï° N. B.
en 26'/»° L-)) vvaar het, zich naar het W. wendende, door
do aldaar N. waarts strooinende Wezer dwars doorsneden
wordt, waardoor de beroemde Porta Westphalica ontstaan is ,
terwijl het zich aan de andere zijde, onder den naam van de
Miudensche bergketen of het Wiehen-gebergte, in de omstre-
ken van Osnabrück verliest. Deze bergketen , welke hoofd-
z.ikelijk uit zandsteen bestaat, heeft geen eigenlijken hoofd-
rug, maar wordt gevormd door eene reeks digt met bosch
begroeide bergkoppen, welke zich onmiddelbaar langs den
stroom vrij steil verheffen, terwijl zij N. 0. waarts, naar het
dal der Leine, die dezelve van den Harts scheidt, zacht afval-
len. Bijzondere deelen van dit gebergte zijn :
De Hainich , het meest Z. deel.
Het Wesergebergte , in 't bijzonder dus genoemd.
Eet Sollingerwoud , ongeveer het middelste deel, en tevens
het hoogste en ruwste.
De Sunlel, tusschen Oldendorf en minden, met den Wit-
tekindsberg , strak aan den stroom, die met den tegen-
overliggenden Jacobsberg de Porta Westphalica vormt.
De Mindensche bergketen, welker 0., steil naar de Wezer
afvallende kop de genoemde Jacobsbcrg is.
Het Kappel-gebergte , het uiterste N. W. einde der keten ,
ten N. O. van Osnabrück.
Het Hartsgebergte, gewoonlijk de Harts genoemd (c.
8lVa°—02" N. B. en 27%°—SO'/e" L-), de hoogste verheven-
heid van Jf. Duitschland, is een op zich zelf staand, naau-
welijks door lage heuvelrijen met andere verbonden gebergte,
hetwelk zich , als eene groep van meer of min gescheidene
koppen, onmiddelijk uit de vlakte verheft, en meer dan 36
V. m. bedekt. Het maakt de waterscheiding uit tusschen de
Wezer en de Elbe, welke, van het Z. Z. W. naar het N. N. O.,
dwars over dit gebergte heenloopt, en hetzelve verdeelt in den
kleineren , maar hoogeren Opper-Harts , een woest gebergte ,
van een somber voorkomen, meestal met uitgestrekte denne-
bosschen bedekt, uit welke slechts de kale kruinen der enkele