Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
Salp , ten Z, W. door de Sinn, ten N. W. door de Fulda,
en ten N. O. door de Werra (SO«/«"—50=/,° N. B. en 27»/.°—28°
L.). Hetzelve is ten deele kaal, ten deele met boseh bedekt.
Het Z. deel, of de Hooge Rhoen , hetwelk uit bazalt en lava
bestaat, en steil tegen de Sale en de Sinn afvalt, is woest
en treurig, terwijl het N. deel, hetwelk uit vlotmassa's be-
staat, W. waarts langzaam daalt en zich , tusschen de Werra
en de Fulda, in de Hessische vlakte verliest, doch tenN. O.
dwars tegen het ïhuringerwald stoot. Hot hoogste punt is
De Kreutzberg (c. 50»/.° N. B. en 27Vt° L.), 2835
V. hoog.
Het Vogelsgebergte, ten N. van den Spessart en ten W.
van het Rhoen-gebergte, breidt zich , van het Z. W. naar
het N. O. , rondom de bronnen van de Nidda, den Ohm en
de Schwalm uit, omtrent 40 v. m. beslaande, cn uit eene
vulkanische massa van bazalt en velerlei veranderde lava-
soorten bestaande, uit welke zich enkele met loofhout be-
„ groeide koppen verheffen , van welke
De Vogelsberg (e. SOVi" N. B. en 27° L.) de grootste
is, 2600 V. hoog.
Het Taunus-gebergte , of de Taunus , ook in het bijzonder
de Hoogte (die Höhe) genoemd, ten N. W. van den Spessart
en ten Z. W. van het Vogelsgebergte, tusschen den Main ten
Z. O., de Lahn ten N. W. en den Rijn ten Z. W., aan wiens
oevers hetzelve zich (c. 50" N. B.) onmiddelbaar verheft, cn,
in eene N. N O. rigting, met eenen naar het N. W. openen
boog uitbreidt, tot tegen het Vogelsgebergte (c. 80»/i° N. B.).
Het is een zacht glooijend, aangenaam woudgebergte, uit-
muntend door rijkdom aan ertsen, weldadige baden en ge-
zondheidsbronnen, en vormt den N. wand van de beroemde
Rijngouw. De hoogste pnnten van den Taunus zijn :
De groote Feldberg , 2708 v. , en
De Altkönig, 2400 v. hoog.
Het Westerwald, ten N. W. van den Taunus, verheft zich
mede onmiddelbaar aan den Rijn (tegenover Bingen en den
mond van de Nahe), en wel terstond zeer steil tot zijne aan-
zienlijkste hoogte; het strekt zich van daar, ten Z. W. om-
/it