Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
I
vormen de Furea, 13,200 v,, de Galenstok , 11,800 v., en
dc Fibia, 9700 v. hoog.
TJe Berner Alpen loopen, van den St. Gothard af, in
eene W. Z. W. rigting voort, tusschen het dal der
Rhone en dat van de Aar , tot aan het meer van Ge-
neve. Derzelver afhelling naar de Rhone is steil ,
naar de Aar meer glooijend. Zij nemen , omtrent de
bron van de Aar, met eene geweldig groote ijsvlakte,
eenen aanvang, uit welke zich verheffen :
De FinsteTnarhorn , 13,234 v. ,
De Schreckhorn , 12,613 v. ,
De Jonkvrouw , 12,853 v.,
De Miitayshorn, 11,700 v.,
De Gemnï, met een' pas , 7000 v. , en
De Diahlerets , 9600 v. hoog.
De Zwitsersche Alpen, in 't bijzonder dus genoemd,
breiden zich in drie lakken, van den St. Gothard af,
N. "W., N. en N. O. waarls uit:
Tusschen de Aar en de Reuss, met den
Rothhorn (c. 46V3O N. B. en 26° L.).
Tu"jschen de Reuss en de Limmat, met den
Rigi (c. 47° N B. en L.)-
Tusschen de Limmat en den Uijii, met den
Kistenherg (c- 46^/3° N. B. en 27° L.) en den
Hougen Sentis (c. 47^l° N. B. en 27° L.).
De Graauwbunder Alpen , tusschen den Rijn en de Inn ,
nemen niet terstond bij den St. Gothard hunnen aan-
vang , maar scheiden zich bij den Splugen van de Rhae-
tische Alpen af, en breiden zich, bij den Jamthaler
Ferner zich in twee takken verdeelende, tot aan de
Duits<!he grenzen uit, waar zij den naam van Beijer-
sche Alpen aannemen.
De Jamthaler Ferner (c. N. B. en 27"'.° L.).
De Betjersche Alpen, van c. tot N. B. en
van tot Id^U"" L. , eene lange keten, langs den
linkeroever of de N. W. iV. zijde van de Inn voortloo-
pende, tot tegen het meer Clïiem. Bijzondere punten ,
in het W. gedeelte, zijn