Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
Van den bodem, boven de oppervlakte van de zee, verdeelt
Europa zich in een Z. W. bergland en een N. 0. vlakland.
De hoogste verhevenheid van het Z. W. bergland vormen,
omtrent in het midden van hetzelve, de Alpen, rondom bij-
na geheel met lagere gebergten omgeven , van welke vooral
de pieest N. slechts langzaam in hoogte afnemen, tot zij zich
eindelijk geheel in het groote vlakland verliezen.
Met betrekking daarentegen tot de stroomende wateren,
vormt het vaste land van Europa twee groote hellingen , eene
N. W., naar den Atlantisehen Oceaan en de N. IJszee, en
eene Z. 0., naar de Middellandsche en de Zwarte , alsmede
naar de Caspische zee. Tusschen deze beide hellingen loopt
de algemeene of hoofdwaterscheiding door, als een sterke
bergrug, zeer onderscheiden echter in hoogte en breedte.
Zij begint met de kaap Tarilfa, aan de straat van Gibraltar,
en strekt zich afwisselend over hooge en middelbare berg-
landen en vlakten , over het algemeen in eene N. O. rigting,
tot aan het Uralgebergte uit. Van de hooggebergten komen
in dezelve slechts voor de Siërra Nevada, de Pyreneën , de
Cevennen , de Alpen en de Karpathen. In de O. vlakte blijft
zij slechts in lage heuvelrijen zigtbaar, welke zich in de
Waldai-hoogte en het Wolchonski-woud tot ongeveer -4000 v.
boven de oppervlakte der zee verheffen.
Behalve het groote vastland , behooren tot Europa de na-
volgende
EILANDEN.
A. In de Noordelijke IJszee.
De Noorweegsche Eilanden, langs de N. W'. kust van
Noorwegen (67Vï°—71° N. B. en c. 28°—L.). De-
zelve worden verdeeld in
De meest Noordelijke eilanden , boven de 70° N. B,,
van welke de voornaamste zijn :
Mageröe , met de Noordkaap , (71° N. B. en 43'/.» L.),
Soröe (70'/<.° N. B. en 40° L.).
Vannen (70V." N. B. cn 37"/»» L.).
ümgvadoen (W N. B. en 370