Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
§ lu.
Het Maleische ras.
De Maleische stam , die gerekend wordt den overgang uit
te maken tusschen het Ethiopische en het Kaukasische ras,
is over het geheel van eene bruine kleur , die bij eenigen
tot een licht mahagoni- , bij anderen tot bet donkerste kas-
tanjebruin overhelt ; sommigen zijn echter ook wel zwartbruin
en roetkleurig. Dezelve heeft voorts digt, zwart, week,
lang en gelokt baar ; eenen breeden , eenigzins dikken neus ;
een' grooten mond : een tamelijk smal hoofd ; een hoog voor-
hoofd ; de bovenste kinnebak soms wat vooruitstaande ; en
aangename sterk geteekende gelaatstrekken. Onder dezen zijn
begrepen dc eigenlijke Maleijers , de bewoners van het schier-
eiland Malacca, in het zuiden van Achter-lndie, van de
meeste Oostindische eilanden en van het geheele vijfde we-
relddeel , der Philippijnen, der Marianen , der Molukken,
der Sunda-eilanden , van Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland,
en van alle de eilanden der stille zee : gezamenlijk S2 mil-
lioenen.
§ 113.
Voortdurende kenbaarheid der stamverscheiden heden.
Dit zijn en blijven de hoofdzakelijke onderscheidende ken-
teekenen , naar welke het geheel der menschheid zich in
groote onmiskenbare groepen verdeelt, hoezeer ook plaatse-
lijke omstandigheden en kunstige bewerkingen eenen sterken
invloed mogen uitoefenen : moge de koude lucht den Neger
biceken. hij wordt nooit blank , en wanneer hij het werd,
dan nog zouden hem genoegzame kenmerken onderscheiden,
trekken , die voor geene lachtgesteldheid wijken ; moge den
blanken Europeaan de zon van Indie verbranden , het onge-
geoefend oog zelfs zoude hem uit de horden zijner ongeluk-
kige slaven onderkennen, ook wanneer hij deelde in hunne
kleeding en werkzaamheden. Zoo zijn de Negers der Oost-cn
Westindische plaiitaadjen , ook in hunne latere geslachten,
nog Negers , evrn als hunne broeders aan de kusten van Guinea
en de stroomen van Congo. De Chinees bewaart aan de kus-
ten van Afrika, op de eilanden van den Atlantischen oceaan ,