Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
biedt de ligchaiunsgcslalte aan, zoo over liet gebeel, als in
de verhonding van enkele deelen in het bijzonder , zoo als de
lang getrokkene Ooren , de breede lippen , die tot eene af-
schrikkende inisvurming uitgebreid viorden, de buitengewone,
onevenredige grootte van eenige deelen des ligchaains, dc
kromme en holle beenen , enz., alle gevolgen van opvoeding
en gebruiken, welke genoegzaam bekend zijn , gelijk de kleine
handen en korte voelen, aan eenige natiën bijzonder eigen ,
ten duidelijkste uitwijzen. De sterkte des geheelen ligchaains,
de buigzaamheid en behendigheid van hetzelve, de scherp-
heid der zintuigen, zijn hoogst verscheiden bij besch.'tafde
en bij wilde natiën, bij de bergbewoners en bij de volkeren
der vlakke landen, bij nomaden of zwervende herders, bij
jagers , landbouwers , enz.
§ 108.
Kleur.
De meest opvallende verscheidenheid tusschen de nienscher»
bestaat in do kleur der huid. Zij wisselt af, van het donker-
ste en glansrijkste zwart van het ebbenhout, door alle trap-
pen heen, tot bijna aan het verblindende wit van het albaster
toe. Dc hoofdkleuren zijn echter: wit of blank, geelbruin,
koperrood, zwartbruin en zwart. Zij ïijn zonder twijfel ge-
volgen der luchtstreek en der levenswijze : want, waar deze
veranderd worden, verandert ook , door meerdere geslach-
ten , de kleur ; evenwel wordt zij eerder donkerder, dan zij
verbleekt. De donkere kleur der bniine en zwarte menschen
heeft echter haren eigenlijken zetel niet in de opperhuid,
maar in de onder dezelve liggende slijmachtige nethuid. —
Voornamelijk wordt de kleur der huid gewijzigd door de
hitte of koude, en den eigenaardigen toestand der lucht van
ieder land. De Europeanen worden donkerder van kleur in
de heete landen, terwijl de bergbewoners van deze, b. v.
de Abyssiniers , toch niet zwart zijn : zoo zijn de Joden op
de kust van Malabar, in Oostindie, en de Portugezen in Se-
negambie bijna reeds in Negers herschapen.
Vele stammen beschilderen zich en krijgen zoo eene kunst-