Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
§ 103.
Vatbaarheid van den mensch voor de bewoning van alle lucht-
streken en verbreiding over de geheele aarde.
Als den heer der aarde heeft de natuur dan ook den mensch
geschikt gemaakt de gansche aarde te bewonen. Niet gelijk
aan de meeste dieren heeft zij den mensch eene zekere be-
perkte luchtstreek ter bewoning aangewezen ; de mensch , en
de mensch alleen , vermag elk land der aarde als zijne woon-
plaats , .lis zijn vaderland te erkennen. Waar door den gloed
der zon de wijngeest kookt (in Senegambie), en waar dezelve
tot ijs verstijft en het bewegelijke kwikzilver bevriest, leeft
en beweegt zich dc mensch : onder den gloed van den eve-
naar bouwt hij zoowel zijne hut, als aan de ijsvelden der
polen. Dit is de eigene natuur van het ligchaam des men-
schen , dat hij zonder het pantser van .sommige dieren , zon-
der den digten pels van andere, zonder bijzondere daartoe
ingerigte werktuigen, de koude zelfs daar kan trotseren,
waar het dierlijk leven in de ijsmassa's der polen wordt uit-
gedoofd ; dat hij, door de voegzaamheid zijns ligohaams, zich
aan de gloeijende hitte van de verzengde luchtstreek kan
aisi blootstellen, en zich daar wel bevindt, terwijl zijn vernuft
I hem de middelen aan de hand geeft, zich tegen den vernie-
lenden invloed der luchtstreek zoowel te beschutten, als te-
gen de natuurlijke wapenen van aanval der verscheurende
dieren. Wel is waar verandert de mensch in menig opzigt
eenigzins naar de onderscheidene klimaten , welke hij bewoont,
doch over het geheel behoudt hij zijne edele gedaante en
het vermogen , steeds voort te gaan op den weg zijner bestem-
ming. Zijn ligchaam neemt allengskens die eigenschappen
aan, welke gepast zijn voor de luchtgesteldheid en het weder
van het land, waar hij zich vestigt ; hij gewent zich aan
het voedsel, hetwelk zijne woonplaats hem aanbiedt; hij
leert, voor en na , de voordeden kennen en gebruiken, wel-
ke iedere luchtstreek hem oplevert, en daarentegen de om-
standigheden , wdke zijne gezondheid schadelijk zijn, ver-
mijden of verzachten. En zoo hebben zich dan ook de men-