Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
zich , door den aanblik der natuur , en vooral ook door de
beschouwing van zich zeiven , (die hij beide als eene, ge-
durende dit leven, ondoordringbare geheimenis erkennen
moet, in dewelke hij echter onophoudelijk zoekt in te drin-
gen) , tot de gedachte en het geloof aan een nog veel ge-
heimnisvoller wezen, aan eenen wijzen , goeden, almagtigen
en eeuwigen Schepper van hem zei ven en van de geheele
wereld, hetwelk tevens tot den krachtig^ten steun verstrekt
aan de mensehelijke zwakheid , en tot den hoogsten troost
bij de rampen en de ellende des aardschen levens.
Dat het regtopgaan den mensch alleen eigen en natuurlijk is , be-
wijst de bouw zijns ligchaams , terwijl het loopen op twee beenen
den apen alleen slechts mogelijk is. Dc beenen van den mensch zijn
namelijk veel langer dan zijne armen; het gewrichl aan de ellebogen
buigt zich naar het lijf toe , hetwelk slechts bij eenen regtopgaanden
stand en een ander gebruik der handen en armen , dan om te loopen,
nuttig kan zijn. Voorts zijn de overeenkomstige en gelijk liggende
beenderen, banden en pezen der beenen diLker en sterker , dan die
der armen. De vaste zaanjgewelfde beenderen van den voet, de hak
en de sterke hakspier toonen duidelijk aan , dat dezelve lot het
dragen van het geheele ligchaam ingerigt en bestemd zijn; terwijl
daarentegen de kleinere, buigzamere en minder vaste handwortel oogen-
schijnlijk tot geheel andere einden ingerigt en geschikt is. In hel bij-
zonder echter past de bouw van de ruggegraat slechts voor den regt-
opgaanden stand. De onderste wervelbeenderen van dezelve zijn bree-
der dan de bovensle , dewijl zij bij den regtopgaanden stand eenen
grooteren last te dragen hebben, dan de andere; lerv.ijlde band,
welke in den nek hel hoofd met de ruggegraat verbindt , veel zwak-
ker en teerder is dan bij de dieren- Een in het oog loopend onder-
scheidingsleeken der menschen is ook de sterk voooruilslekende kin.
De regtslandige rigting der onderste snijtanden is insgelijks slechts den
mensch eigen En eindelijk, heigeen meer dan alles afdoende is: al-
leen de mensch bezit de organen , welke hem het vermogen geven te
spreken, terwijl dezelve den dieren, zelfs den ourangoutang , geheel
ontbreken , zoodat aan de mogelijkheid , denzelven de spraak bij te
brengen, in het geheel niet gedacht kan worden. — Buitendien zijn
er nog vele dingen , die den mensch van de dieren omlerscheiden ,
als daar zijn : zijne natuurlijke blootheid of naaktheid en zijne weer-
loosheid , zijne late rijpheid en manbaarheid, enz. Of het lagchen
en weenen den mensch alleen eigen zij , is Iwijfelachlig.