Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
§ 83.
Natuurlijke voortbrengselen.
Da.ir de handel de weldadigste gevolgen voor het mensche-
lijk geslacht heeft, en hetzelve, zonder den handel, noch
zich zelf, noch zijne woonplaats, de aarde, zoude kennen,
is het zeer goed, dat iedere aardstreek eenige, haar bijzon-
der eigene voortbrengselen heeft, die haar niet alleen , als het
ware, eigendomnielijk behooren, maar ook in grooteren over-
vloed , dan eigene behoefte ze veroischt, plegen voorhanden
te zijn , en in andere oorden of in het geheel niet, of toch
slechts onvolkomen , niet zonder kunstige trekking en zorg-
vuldige pleging , gevonden worden. Zelfs onder dezelfde lucht-
streek heeft bijna ieder land een voortbrengsel, hetwelk el-
ders minder ligt en schoon gedijt. Ook hier is echter het
onderscheid tusschen de verschillende zonen het meest opmer-
kelijk , en het is een zigtbaar kenteeken van de ordenende
wijsheid der Voorzienigheid , dat dc producten van iedere zone
met de heerschende luchtsgesteldheid en het weder, gelijk
mede met de benoodigdheden , welke van dezelve afhangen,
naauwkeurig overeenstemmen.
§ 86.
Voortbrengselen der heete zone.
De heete aardstreek heeft de welriekendste kruiden, de
krachtigste en verkoelendste vruchten , de grootste en sterk-
ste landdieren , en den grootsten rijkdom aan mineralen.
Hier is do natuur in een'onafgebroken wasdom, eeuwigjong
en eeuwig groen. Bloesems en vruchten , zanijing en oogst
volgen op elkander, zonder den geringsten lusschenl)eiden
komenden stilstand. Hare bewoners kunnen slechts een ligt
en luchtig hulsel verdragen , — een worm spint hun hot fijn-
ste weefsel, een struik draagt hun de teerste wol. Vlee.sch
mag bij de bestendige brandende hitte hun voedsel niet zijn, —
de verscheurende dieren maken hun de veeteelt mo"ijelijk ;
daarentegen overtreft het plantenrijk alle vorderingen der
verbeeldingskracht, om hen te voeden en te verkwikken.
De hitte verslapt hunne werkzaamheid , — de bodem des lands
6