Boekgegevens
Titel: Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Schröder Steinmetz, Lodewijk Adolf
Uitgave: Groningen: W. van Boekeren, 1839
2e verm. en verb. dr; 1e uitg.: 1835
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1172 E 34
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205249
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
hocrschende is, oefenen den sterksten invloed uit op derzel-
zelver vruehtbaarheid en voortbrengselen. Voortbrengselen
der natuur noemen wij alles, v^t, het zij te lande, of in
de wateren, vooral der zee, de natuur zelve voortbrengt,
wanneer ook de mensehelijke hand bij derzelver teelt te hulp
komt, of derzelver tiering door hare moeite en vlijt zoekt
te bevorderen ; zoodat dezelve , naar de drie rijken der natuur,
ook in drie k lassen plegen verdeeld te worden, in die na-
melijk van bet plantenrijk , van het dierenrijk en van het
rijk der delfstoffen. Eene volledige opnoeming en beschrijving
echter van alle voortbrengselen der drie natuurrijken, welke
op zich zelve eene geheel afzonderlijke en zelfstandige weten-
schap uitmaakt , is in de aardbeschrijving niet ter plaatse.
In dezelve behooren slechts zulke voortbrengselen vermeld
te worden , welke althans eenig land in het bijzonder eigen
I en gewigtig, en den menschen in het algemeen het meeste
I nuttig zijn.
i: §
I Handel, waren.
I Het is eene weldadige inrigting der natuur , dat bijna ieder
f land zooveel voortbrengt, als de nooddruft tot voeding en
dekking van deszelfs bewoners vereischt. Da.ir echter den
ji mensch eene onweerstaanbare zucht is ingeschapen , het steeds
heter te willen hebben, zijn slechts zulke volken met de ga-
ven van hun eigen land tevreden, welke de schatten van an-
dere landen niet kennen, of althans zich niet weten te ver-
schaffen. De meer ontwikkelde en prikkelbaarder volken
volgen die neiging. en ruilen in, wat zij niet hebben , tegen
dat, hetwelk zij van het hunne kunnen ontberen, en ver-
meerderen zich daardoor niet alleen het genot des levens,
maar breiden ook hunne kennis uit, en veredelen hunne ge-
waarwordingen en gevoelens. In deze ruiling en wederzijd-
schen overvloed naar ieders benoodigdheid bestaat oorspron-
kelijk de handel , en alle voortbrengselen worden, in zoo verre
zij voorwerpen van den handel zijn, waren genoemd.