Boekgegevens
Titel: Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Deel: I Oude geschiedenis
Auteur: Bruyne, J.A. de
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2417
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205208
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE PELOPONNESISCHE OORLOG. ' ^ I
de hoofden der oorlogspartij, Cleon en de Spartaansche
koning Brasilias in den slag bij Amphipolis {^22) gtin&i-
veld waren, gelukte het aan Nicias., het hoofd der aristo-
cratische partij, een voor de Atheners gunstigen vrede
voor vijftig jaren te sluiten.
§ 48. Zelfs gedurende den korten vrede van Nicias
(421—415) wisten de Grieken onder elkaar de rust niet
te bewaren. Toen Thebe en Corinthe, meenende door
Sparta in den steek gelaten te zijn, tegen het laatste een
oorlog begonnen, wist de jonge Alcibiades de Atheners
tot deelneming te bewegen, zoodat zij zich in den slag
bij Alantineia (418) aan de zijde van Sparta's vijanden
schaarden. Hartstochtelijk en eerzuchtig, stelde hij zich
tegenover Nicias aan het hoofd der democratische partij,
vol verlangen den oorlog te hernieuwen, om een eerste
rol in Griekenland te kunnen spelen en zijne schitterende
gaven in het volle licht te vertoonen. ^
Toen er op Sicilië een twist was uitgebroken tusschen
de steden Syracuze en Segesta en de laatste Athene's
hulp inriep, wist hij het door te zetten , dat eene kostbare
vloot tot dien avontuurlijken tocht, den zoogenaamden
Siciliaansche oorlog (415—413), werd uitgerust. Hij zelf
met Nicias en Lamachus zouden de bevelhebbers zijn.
Nauwelijks waren zij evenwel vertrokken, of tegen Alci-
biades werd eene aanklacht wegens schending der Her-
_ mesbeelden in Athene ingediend. Hij werd veroordeeld
en teruggeroepen, maar vluchtte naar Sparta, dat hij uit
wrok tegen zijne vaderstad aanspoorde den Syracuzanen