Boekgegevens
Titel: Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Deel: I Oude geschiedenis
Auteur: Bruyne, J.A. de
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2417
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205208
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
24 DE EGYPTENAREN.
despoot, onder wien de kunst verviel, en die door zijne
onderdrukking de oorzaak werd der rampen, die later
zijne opvolgers troffen. Een der zwaarste van deze was
de uittocht der Israeliten onder zijn zoon Menejiita. Nog
eens herstelde zich de Egyptische macht onder Ramses III.,
maar na hem zou het rijk snel achteruitgaan en eindelijk
de prooi worden der Aethiopi'érs, wier koning Sabaka, vol-
gens het verhaal, den laatsten Egyptischen vorst Bokenrauf
levend liet verbranden en tegelijk de doodsstraf afschafte.
Ook hunne heerschappij duurdeniet lang, maar werd ver-
vangen door die der Assyrische koningen, Assurhaddon
en Assurbanipal, die een tijdlang Middel- en Beneden-
Egypte beheerschten, tot het een der door hen aangestelde
twaalf stadhouders, Psamtik, gelukte met hulp van Griek-
sche huurtroepen het land te bevrijden en in 660 een
nieuw tijdperk, het Nieinoe Rijk te beginnen.
§ 14. Psamtik en zijne opvolgers trachtten de Grieksche
beschaving in hun rijk ingang te doen vinden. Doch Egypte
had zich te lang afgezonderd gehouden, om tegen deze
plotselinge verandering bestand te zijn. De oude krijgs-
lieden en priesters verlieten in menigte het land, algemeene
ontevredenheid heerschte onder het volk en troontwisten
aan het hof voerden bij de opkomst der groote Aziati-
sche monarchieën het rijk ras zijn ondergang te gemoet.
Necho., die een tijdlang Voor-Azië beheerschte, een kanaal
liet graven van den Nijl naar de Roode Zee, en de
Phoeniciërs in zijn dienst Afrika liet omzeilen, werd door
Nebukadnesar in den slag bij Circesium teruggedrongen