Boekgegevens
Titel: Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Deel: I Oude geschiedenis
Auteur: Bruyne, J.A. de
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2417
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205208
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 2 DE EGYPTENAREN.
van Aziatische herdersvolken, de semitische Hyksos.^ die
evenwel spoedig de beschaving en gewoonten der onder-
worpenen aannamen, en alleen den eeredienst van hun'
God Sutech oi' Seth invoerden, die later de booze God
der Egyptenaren werd. Onder hunne regeering valt de
invloed van den Israëliet Jozef, wiens lotgevallen door
den roman Jozef en Asnath ook bij de latere Egyptenarea
in herinnering bleven.
§ 13. Met de verdrijving der Hyksos in 1700 begint
het middelrijk — anderen noemen dit het nieuwe rijk —, de
bloeitijd der Egyptische geschiedenis. De verdreven Hyksos
werden tot in Azië vervolgd, en onder een reeks van
veroveraars, waarvan Tutmes III (1591—1565 v. Chr.)
de grootste is geweest, het rijk uitgebreid tot aan Euphraat
en Tigris, de Arabische zee en verre in Nubië en Libye.
Het honderdpoortige Thebe in Opper-Egypte, welks
ruinen den omtrek der dorpen Karnak en Luksor bedek-
ken, werd hunne geliefkoosde residentie, verrijkt met
de schatten hunner veroveringstochten. De tempels van
Dendera en Karnak met hunne veelkleurige zuilen en
bloemenkapiteelen, de reusachtige paleizen, wier zolde-
ring soms uit één grooten steen bestond, de obelisken,
zooals die van Luksor, en die van Tutmes, verkeerdelijk
de naald van Cleopatra genaamd, de sprekende gelaats-
trekken der beelden in het harde graniet uitgehouwen,
bewijzen den bloei der kunst, die eerst onder het despo-
tisme van Ramses tot de eentonigheid en stijfheid der
latere beeldhouwwerken zou vervallen. De vorstelijke macht
I
L