Boekgegevens
Titel: Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Deel: I Oude geschiedenis
Auteur: Bruyne, J.A. de
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2417
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205208
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE VOLKSVERHUIZING. 167
de volksverhuizing.
§ 116. Sedert Trajanus waren de Romeinsche keizers
opgehouden met de uitbreiding van hun rijk; zij hadden
zich moeten bepalen bij de verdediging tegen de steeds
krachtiger voorwaartsdringende Germaansche stammen.
Het waren in dezen tijd vooral de Gothische volken, die
oorspronkelijk in Skandinavië woonachtig, waar Goth-
land nog hun' naam bewaart, later naar de vlakte van
Sarmatië waren overgestoken en zich daar gesplitst hadden
in de Oost- en West-Gothen onder hunne vorstenge-
slachten, de Amalen en Balthen, die het Romeinsche rijk
de grootste schokken hadden toegebracht. Vatbaar voor
eene hoogere ontwikkeling, hadden zij toen reeds grooten-
deels het Ariaansche Christendom aangenomen, vooral
door toedoen van den ijverigen bisschop Ulfdasdie
den bijbel voor hen in de rijke Gothische taal overbracht.
Het innerlijk verval der Romeinsche monarchie kwam
hun pogingen te hulp. De krachtige middelstand was
reeds lang verdwenen, en er bleven slechts over de schat-
rijke aristocraten, wier lichaamgestel door schandelijke
uitspattingen verwoest was, en de ontevreden, door en
door verdorven proletariërs, die leefden van de om-
koopingen en uitdeelingen der vorsten en rijken. Alle
krachtige keizers uit den laatsten tijd waren vreemdelin-
gen geweest, meestal Spanjaarden en Illyriërs. Zelfs in
aantal was de Romeinsche burgerij voortdurend achter-