Boekgegevens
Titel: Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Deel: I Oude geschiedenis
Auteur: Bruyne, J.A. de
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2417
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205208
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Algemeene geschiedenis ten gebruike bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
159 DE SOLDATENHEERSCHAPPIJ.

achtereenvolgens gevoerd door twee jonge mannen, die
voor zijne zonen doorgingen. De eerste was de Baäls-
priester Heliogabalus (218—222), die naast de reeds
vroeger in Rome ingevoerde Egyptische goden Isis en
Serapis en den Persischen Mithras ook den zinnelijken,
bloeddorstigen Baalsdienst daar wilde overbrengen. Zijne
regeering overtreft in waanzinnige gruwelen en zedeloos-
heid die van al zijne voorgangers of opvolgers. Geheel
anders was zijn neef en opvolger, de edele Alexander
Severus (222—235) onder wien de beroemde rechtsge-
leerde Ulpianus een grooten invloed op de regeering uit-
oefende. Onder zijn bestuur ging het rijk der Parthen te
niet, maar verrees in plaats daarvan het niet minder ge-
vaarlijke Nieuw-Perzische rijk der Sassaniden (226), die
den ouden Perzischen vuurdienst herstelden en tot het einde
de gevaarlijkste vijanden der Romeinen gebleven zijn.
Zoowel tegen hen als tegen de Germaansche Alamannen
moest Alexander herhaalde krijgstochten ondernemen.
De moord van Alexander Severus door zijne muitende
soldaten gaf het sein tot een reeks van burgertwisten,
waarin dikwijls verscheiden tegenkeizers tegenover elkan-
der stonden en de eene veldheer zich een weg tot den
troon baande door den moord van den ander. Op den
Thraciër Maximinus volgen de Gordianussen, na deze de
onbeschaafde Arabier Philippus., die ten koste van het
geheel allerlei voorrechten schonk aan zijn eigen vader-
land en een schandelijken vrede sloot met de Sassaniden.
Onder zijn bestuur werd in 248 met groote praal het